Rb. Zwolle 21 december 2000, ECLI:NL:RBZWO:2000:AA9676

Werkgever is belanghebbende in de zin van art. 1:2.1 Awb bij besluit tot verlenging van de periode van loondoorbetaling in verband met te late aangifte van ziekte. Art. 3:4.1 Awb alleen van toepassing indien sprake is van belanghebbenden en wettelijke regels ruimte bieden voor belangenafweging. Besluit inhoudende dat de aan betrokkene met ingang van 1 december 1997 toegekende WAO-uitkering ingevolge art. 43c WAO eerst m.i.v. 13 september 1998 wordt uitbetaald in verband met te late aangifte van ziekte (286 dagen). Verweerder merkt eiseres (werkgever) aan als belanghebbende, omdat het besluit voor eiseres een uitstel betekent van verhoging van te betalen gedifferentieerde WAO-premie. Rechtbank: Door de in art. 38, eerste lid ZW aan de werkgever opgelegde verplichting tot ziekmelding van werknemers en het daarmee gemoeide belang kan niet worden volgehouden dat het bestreden besluit slechts gevolgen met zich brengt via een contractuele relatie tussen eiseres en werkneemster. Als gevolg van de wettelijke verplichting op grond van art. 38, eerste lid ZW is immers ook tussen verweerder en eiseres een rechtstreekse relatie aanwezig op grond waarvan kan worden gesteld dat eiseres een rechtstreeks belang heeft bij het besluit inzake de ingangsdatum van de uitbetaling. Evenals verweerder, zij het op grond van een andere motivering, merkt de rechtbank eiseres aan als belanghebbende in de zin van art. 1:2, eerste lid Awb bij het besluit inzake de ingangsdatum van de uitkering. Verweerder heeft voorts de bezwaren van eiseres voor een deel afgedaan door te verwijzen naar art. 3:4, eerste lid Awb. Met betrekking tot de toepassing van art. 3:4, eerste lid Awb geeft verweerder blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verweerder stelt zich namelijk ten onrechte op het standpunt dat eiseres slechts een afgeleid belang heeft en dat verweerder om die reden niet kan komen tot een belangenafweging zoals bedoeld in art. 3:4, eerste lid Awb. Het bestreden besluit is innerlijk tegenstrijdig, nu enerzijds door verweerder is gesteld dat eiseres belanghebbende is in de zin van art. 1:2, eerste lid Awb en anderzijds dat eiseres geen belang heeft bij het bestreden besluit. Toetsing aan art. 3:4, eerste lid Awb kan alleen dan plaatsvinden (als sprake is van een belanghebbende in de zin van ar. 1:2, eerste lid Awb en) als de rechtsregels waarop het besluit van een bestuursorgaan berust ruimte laten voor een belangenafweging of, anders gezegd, als die belangenafweging niet geacht moet worden reeds door de wetgever te zijn verricht. Art. 43c WAO, zoals dit art. luidde tot 1 januari 2000, betreft een dwingendrechtelijke bepaling, waarbij de belangenafweging zoals hiervoor bedoeld geacht moet worden reeds door de wetgever te zijn verricht. Voor een belangenafweging bij de toepassing van dit artikel is dan ook geen plaats. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. F.G. van Arem

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen