Rb. Zwolle 19 juli 2000, ECLI:NL:RBZWO:2000:AA6747

1. Awb: Kortsluiting naar aanleiding van verzoek om opheffing schorsing. 2. Materieel: Bouw Factory Outlet Village niet in strijd met Vogel- en Habitatrichtlijn. Niet MER-plichtig. Specialiteitsbeginsel en vrijstelling parkeereis bouwverordening. 1. Verzoek om opheffing schorsing bouwvergunning t.b.v. oprichting detailhandelscentrum volgens factory outlet concept. Aan de pres. komt ingevolge art. 8:87, tweede lid jo 8:86, eerste lid Awb de bevoegdheid toe onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak indien het verzoek als bedoeld in art. 8:87, eerste lid Awb wordt gedaan, wanneer beroep bij de Rb. is ingesteld en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De pres. is -zoals uit het hierna volgende blijkt- van oordeel dat aan hier genoemde voorwaarden is voldaan zodat er niets aan in de weg staat om met gebruikmaking van vorenbedoelde bevoegdheid -op het bestaan waarvan partijen in de uitnodiging voor de zitting ook zijn gewezen- over te gaan tot beoordeling van de rechtmatigheid van het in beroep bestreden besluit en uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het doen van uitspraak in de hoofdzaak brengt ingevolge art. 8:85, tweede lid, onder c Awb mee, dat de voorlopige voorziening getroffen bij uitspraak dd. 14-10-1999 komt te vervallen, tenzij bij de uitspraak in de hoofdzaak met toepassing van art. 8:72, zesde lid, van de Awb een later tijdstip dan het tijdstip waarop uitspraak is gedaan, wordt bepaald. Van de bevoegdheid een dergelijk later tijdstip te bepalen, zal de president gebruik maken, als blijkt dat het bestreden besluit als onrechtmatig moet worden aangemerkt. 2. Verzoek om opheffing schorsing besluit tot verlenen van bouwvergunning en verlenen vrijstelling op grond van bouwverordening voor de oprichting van een detailhandelscentrum volgens factory outlet concept (FOV=factory outlet village) te Lelystad. Verleende bouwvergunning niet in strijd met Vogel- en Habitatrichtlijn. Niet aannemelijk geworden dat realisering van de FOV significante gevolgen heeft als bedoeld in art. 6.3 Habitatrichtlijn voor het Markermeer als beschermingszone in de zin van de Vogelrichtlijn. De bouw van de FOV is voorts geen MER-plichtige activiteit, waarvoor bepalend is of deze activiteit als zodanig is aangewezen in het Besluit m.e.r. De FOV moet worden gekwalificeerd als een - in overwegende mate -detailhandelsvoorziening. Geen der in het bij het Besluit m.e.r. behorende bijlage onderdeel C vermelde activiteiten is op de FOV van toepassing. De FOV kan niet worden aangemerkt als een recreatieve of toeristische voorziening. Evenmin is van toepassing activiteit 11.2 van onderdeel D van vorenbedoelde bijlage. De FOV kan niet worden aangemerkt als een stadsproject nu sprake is van een oppervlakte van ca. 13.000 m2 in de eerste fase en ook na realisering van de fasen 2 en 3 bij lange na niet wordt voldaan aan de drempelwaarden t.w. een oppervlakte van 100 hectare of meer of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer. B&W hebben in redelijkheid vrijstelling kunnen verlenen op grond van art. 2.5.30.4 bouwverordening van de verplichting zorg te dragen voor parkeerruimte op eigen terrein. De werking van het specialiteitsbeginsel als verwoord in art. 3:4.1 Awb brengt hier mee dat de stedenbouwkundige belangen doorslaggevend moeten worden geacht, nu art. 2.5.30 van de bouwverordening is opgenomen onder de paragraaf "Voorschriften van stedebouwkundige aard". Dat belang is er o.m. mee gediend, dat alleen bouwwerken worden opgericht die passen in de door de gemeente meest wenselijk geachte planologische conceptie voor het betrokken gebied. Dat laat onverlet dat ten tijde van de indiening van de aanvraag om bouwvergunning wel sprake moet zijn van een voldoende duidelijk en kenbaar planologisch beleid. Het bouwplan voor de FOV past in het planologisch beleid ter zake. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan B&W in afwijking van hun beleid de vrijstelling hadden moeten weigeren. Geen grond voor aanhouding op grond van art. 52 Woningwet. Bestreden besluit rechtmatig en daartegen gerichte beroepen ongegrond. Eerder getroffen voorlopige voorziening vervalt. Verzoek om opheffing van die voorlopige voorziening moet, nu daaraan het belang is komen te ontvallen, worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen