Rb. Zwolle 10 mei 2000, ECLI:NL:RBZWO:2000:AA6428
Verweerders beleid t.a.v. art. 17 Verordening 1408/71 blijft binnen de grenzen van redelijke beleidsbepaling. Afwijzing verzoek om t.a.v. eiser, met toepassing van art. 17 Verodening 1408/71, een overeenkomst te sluiten met de bevoegde Duitse autoriteit op basis waarvan op eiser de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving van toepassing bleef. Rechtbank : Vaststaat dat op eiser ingevolge art. 13 Verodening 1408/71 het Duitse sociale verzekeringsrecht van toepassing is. Art. 17 Verodening maakt het mogelijk om middels het sluiten van een overeenkomst tussen verweerder en de desbetreffende Duitse autoriteit de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving op eiser van toepassing te doen zijn, zoals dat ook een aantal jaren het geval is geweest. Verweerder voert het beleid om deze toepassing in beginsel te beperken tot een periode van vijf jaar. Daaraan ligt ten grondslag de gedachte dat het niet de bedoeling kan zijn om middels het sluiten van art. 17-overeenkomsten art. 13 tot een dode letter te maken, zoals ook is uitgesproken door de werkgroep Detachering van de Administratieve Commissie van de Europese Gemeenschappen. Voor wat betreft de periode van vijf jaar heeft verweerder aansluiting gezocht bij de maximale periode die is genoemd in de besprekingen binnen de genoemde werkgroep. Voor wat betreft het maken van uitzonderingen op de beperking tot een periode van vijf jaar, voert verweerder een beleid dat er in essentie op neerkomt, dat slechts in die gevallen waarin de betrokkene "tussen de wal en het schip valt" een langere toepassing mogelijk is. Het gaat dan om gevallen als die waarbij dubbele premie-afdracht aan de orde is (zonder dubbel recht) waardoor de betrokkene in financiële problemen komt of om gevallen waarbij materieel geen sprake is van een adequate verzekering terwijl aanvullende particuliere dekking op financiële problemen stuit of een situatie waarin helemaal niet van een adequate dekkingsmogelijkheid sprake is, zoals in het ter zitting door verweerders gemachtigde genoemde geval van de in België wonende onverzekerde 65-plussers. Het gaat daarbij steeds om gevallen waarin het in het individuele geval van bijzondere hardheid getuigt om niet middels art. 17 van de Verordening de Nederlandse wetgeving van toepassing te doen zijn. De Rechtbank is van oordeel dat dit beleid een beleid is dat blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. De Rechtbank is van oordeel dat de bezwaren die namens eiser naar voren zijn gebracht doelen op een andere situatie dan waarop de door verweerder gehonoreerde uitzonderingssituaties betrekking hebben. Er is immers in feite geen sprake van dat eiser "tussen de wal en het schip valt" zoals in de hiervoor besproken gevallen. Eisers werkgever heeft ervoor gekozen om -bij gebrek aan enig visquotum in Nederland- zijn schepen onder Duitse vlag te laten varen. Daarmee is ook de keuze gegeven dat op eiser de Duitse wetgeving van toepassing is en hij ingevolge die wetgeving is verzekerd, zodat er één keer premie, te weten in Duitsland, wordt betaald. Eisers bezwaar komt erop neer dat de Duitse wetgeving in een aantal situaties minder aantrekkelijk is dan de Nederlandse wetgeving respectievelijk dat het voor de in Nederland wonende vissers die nooit in Duitsland verblijven, verwarrend is om met de verschillen in wetgeving geconfronteerd te worden (hetgeen in het verleden ook "brokken" heeft gegeven doordat men bij voorbeeld te laat ontdekte dat er dubbele premie was betaald, waardoor men te laat teruggave vroeg). De vissers voelen zich ook in het geheel niet betrokken op Duitsland. Daarnaast speelt de fiscale kwestie die nog op departementaal niveau voorwerp van bespreking is. Dit zijn echter geen factoren die vergelijkbaar zijn met de situaties waarop verweerders beleid het oog heeft. Tegemoetkoming aan eisers wensen zou, gelet op de aard van de bezwaren, maken dat art. 13 Verordening wel degelijk tot een dode letter werd voor alle deelvissers in de situatie als eiser. Overigens kan nog worden opgemerkt, dat verschillen tussen het fiscale en het sociale verzekeringstraject onwenselijk mogen zijn, ongebruikelijk zijn zij tot dusverre niet. In dit verband wordt opgemerkt dat, in tegenstelling tot de regeling in de Verordening betreffende de sociale zekerheid, op het fiscale terrein slechts sprake is van bi-laterale overeenkomsten. Beroep ongegrond. Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder. mr. M.I. Lammertsma-van der Heij Verordening (EEG) 1408/71 13. 17 Besluit van 3 mei 1989, Stb. 1989, 164 (Besluit 164) 25 Besluit van 24 december 1998, Stb. 1998, 746 (Besluit 746, per 1 januari 1999 in de plaats gekomen voor Besluit 164) 24
De uitspraak op rechtspraak.nl