Rb. Zwolle 7 maart 2000, ECLI:NL:RBZWO:2000:AA5579
De aan Marokkaans onderdaan gestelde eis dat hij arbeid verricht in overeenstemming met Wav levert ongelijke behandeling o.g.v. nationaliteit op. Verweerder heeft eiser medegedeeld dat hij niet verzekerd is ingevolge de WW, ZFW en ZW i.v.m. ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland dan wel verrichten van arbeid zonder dat aan de voorwaarden van de Wav is voldaan. Rb.: De regels zoals ingevoerd bij inwerkingtreding van de Koppelingswet houden in dat, d.m.v. een aanpassing van de definitie van het begrip werknemer, vreemdelingen van de werknemersverzekeringen zijn uitgesloten voorzover zij niet rechtmatig in Nederland verblijven o.g.v. een besluit tot toelating of omdat zij onderdaan zijn van een der EG-Lidstaten. Deze uitsluiting is vervolgens weer ongedaan gemaakt voor de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van art. 1b, aanhef en onder 2, 3, 4 of 5 van de Vw op voorwaarde dat hij i.o.m. Wet arbeid vreemdelingen (Wav) arbeid in dienstbetrekking verricht. Voor een Marokkaans onderdaan als eiser is het, anders dan voor een Nederlander, om als verzekerde voor de werknemersverzekeringen te worden aangemerkt, dus niet voldoende dat hij legaal in Nederland verblijft en arbeid in dienstbetrekking verricht. Aan hem wordt als extra eis gesteld dat hij die arbeid verricht in overeenstemming met de Wav. Die eis wordt alleen gesteld en kán ook uitsluitend worden gesteld aan niet-Nederlanders. Blijkens het Sürül-arrest (HvJ EG d.d. 4-5-1999, RSV-Actueel, juni 1999, nr. 6) levert dat ongelijke behandeling op grond van nationaliteit op. Dat die eis niet voor alle vreemdelingen geldt maar alleen voor de vreemdelingen met een andere verblijfstitel dan die bedoeld in art. 1b, aanhef en onder 1 van de Vw, doet niet af aan het feit dat uitsluitend aan vreemdelingen deze aanvullende voorwaarde wordt gesteld. Eiser behoort tot de categorie vreemdelingen die aldus anders wordt behandeld dan Nederlanders. Toepassing van de betreffende bepalingen van de Kw leidt in het geval van eiser derhalve tot ongelijke behandeling op grond van nationaliteit, hetgeen in strijd is met art. 41.1 Samenwerkingsovereenkomst. Aangezien hier sprake is van direct onderscheid o.g.v. nationaliteit, al is het niet expressis verbis, is de vraag naar eventuele rechtvaardigingsgronden voor dit onderscheid niet aan de orde. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen te Amsterdam, verweerder. mr. H.C. Moorman mr. J.H.M. Hesseling mr. F.G. van Arem Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko (PB L264 d.d. 27 september 1978) 41.1 ZFW ZW WW Koppelingswet Vreemdelingenwet 1b.1 Wet arbeid vreemdelingen (Wav)
De uitspraak op rechtspraak.nl