Rb. Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9921
Bezwaar n-o, herzieningsverzoek voorlopige aanslag IB
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5204
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats] (Frankrijk), belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de beslissingen van de inspecteur in de brief van 8 oktober 2025.
1.1 De inspecteur heeft aan belanghebbende een voorlopige aanslag inkomstenbelasting (IB) voor het jaar 2024 opgelegd.
1.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voorlopige aanslag IB 2024.
1.3 De inspecteur heeft op 8 oktober 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. De uitspraak op bezwaar bevat twee beslissingen:
de inspecteur heeft het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB 2024 niet-ontvankelijk verklaard;
de inspecteur heeft het bezwaar aangemerkt als verzoek om herziening en besloten om de voorlopige aanslag IB 2024 niet te verminderen.
1.4 Belanghebbende heeft desgevraagd aangegeven dat haar beroep zich richt tegen beide beslissingen van de inspecteur.
1.5 De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van het beroep op de zitting van 4 augustus 2026. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting. De griffier heeft daarop de inspecteur gebeld en aangegeven dat de rechtbank geen vragen heeft voor de inspecteur. De inspecteur heeft zich vervolgens telefonisch ook afgemeld voor de zitting. Bij de zitting van 4 augustus 2026 is niemand verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Feiten
2 Belanghebbende woont in het jaar 2024 in Frankrijk.
2.1 Belanghebbende beschikt in het jaar 2024 over een tweetal onroerende zaken in Nederland.
2.2 De inspecteur heeft aan belanghebbende een voorlopige aanslag IB voor het jaar 2024 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 24.625.
Motivering
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
3 Belanghebbende stelt dat het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB 2024 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard door de inspecteur. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het is namelijk niet mogelijk om bezwaar te maken tegen een voorlopige aanslag IB. Als er toch bezwaar wordt gemaakt tegen een voorlopige aanslag IB, moet de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat heeft de inspecteur in dit geval ook gedaan. Dat acht de rechtbank juist. Het beroep is daarom in zoverre ongegrond.
Is het herzieningsverzoek terecht afgewezen?
3.1 Belanghebbende stelt dat het herzieningsverzoek ten onrechte is afgewezen. Volgens haar moet de voorlopige aanslag IB 2024 worden verminderd naar een heffing over het werkelijke rendement in box 3.
3.2 De rechtbank stelt voorop dat tegen de beslissing van de inspecteur om het herzieningsverzoek af te wijzen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Dat heeft belanghebbende niet gedaan. Dat is in dit geval niet erg, want de inspecteur heeft ermee ingestemd dat de bezwaarfase kan worden overgeslagen (prorogatie). Dat betekent dat de rechtbank naar de afwijzing van het herzieningsverzoek mag kijken.
3.3 De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het herzieningsverzoek terecht heeft afgewezen. Een voorlopige aanslag berust op een schatting. De inspecteur houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met wijzigingen die voor de belastingheffing van belang kunnen zijn. Op grond van artikel 23, tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling AWR kan daarvan worden afgezien als een dergelijke wijziging niet, niet tijdig, niet juist of niet volledig in de automatisering is of kan worden verwerkt. De inspecteur heeft toegelicht dat bij de voorlopige aanslag IB voor het jaar 2024 om systeemtechnische redenen nog geen rekening kon worden gehouden met het werkelijk rendement. Daarmee doet die situatie zich voor.
3.4 De rechtbank volgt belanghebbende ook niet in haar standpunt dat de inspecteur het herzieningsverzoek had moeten aanhouden totdat verwerking technisch mogelijk was. Met het werkelijk rendement kan bij het vaststellen van de definitieve aanslag nog rekening worden gehouden. Belanghebbende heeft bovendien geen formulier Opgaaf Werkelijk Rendement ingediend en stelt uiteindelijk zelf dat het forfaitaire rendement voor haar gunstiger is dan het werkelijke rendement. Ook hieruit volgt dat het herzieningsverzoek terecht is afgewezen.
Uitstel van betaling en betalingsregeling
3.5 Belanghebbende verzoekt tot slot om uitstel van betaling van de voorlopige aanslag IB 2024 dan wel om het treffen van een betalingsregeling. De belastingrechter is niet bevoegd om daarover te beslissen. De invordering van belastingen behoort tot de taak van de ontvanger van de Belastingdienst. Belanghebbende kan zich voor uitstel van betaling of een betalingsregeling dan ook tot de ontvanger wenden. De rechtbank wijst belanghebbende erop dat de inspecteur heeft aangegeven dat belanghebbende een dergelijk verzoek ook aan de inspecteur kan richten, waarna de inspecteur dit zal doorgeleiden naar de ontvanger. De contactgegevens van de inspecteur staan in het verweerschrift vermeld.
Conclusie en gevolgen
4 Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen de beslissingen van de inspecteur in de brief van 8 oktober 2025. Dat betekent dat de voorlopige aanslag IB 2024 in stand blijft. Verder is de rechtbank onbevoegd om te beslissen op het verzoek om uitstel van betaling dan wel het treffen van een betalingsregeling.
4.1 Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug en krijgt zij ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep de uitstel van betaling dan wel het treffen van een betalingsregeling van de voorlopige aanslag IB 2024 betreft;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.