Rb. Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9920

Aanslag IB 2023, vertrouwensbeginsel

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/5328
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende voor het jaar 2023 opgelegde aanslag inkomstenbelasting (IB) en de bij gelijktijdige beschikking vergoede belastingrente (de belastingrentebeschikking). Belanghebbende is het niet eens met de aanslag en de belastingrente. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze beroepsgronden of de aanslag IB 2023 en de belastingrentebeschikking tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.

1.1 De rechtbank is van oordeel dat de aanslag IB 2023 en de daarbij opgelegde belastingrentebeschikking tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 De inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag IB voor het jaar 2023 opgelegd en bij gelijktijdige beschikking belastingrente aan belanghebbende vergoed.

2.1 De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2025 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.2 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

2.3 De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende via een digitale beeldverbinding, en namens de inspecteur, drs. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].

Feiten

3 Belanghebbende woont in het jaar 2023 in [plaats].

3.1 Belanghebbende heeft in de periode 1 september 2001 tot 1 juli 2010 zijn werkzaamheden uit hoofde van zijn Nederlandse dienstbetrekking uitgevoerd in [plaats] (de periode van uitzending). De door belanghebbende opgebouwde AOW is gekort in verband met het verblijf in het buitenland.

3.2 In het jaar 2023 heeft belanghebbende de volgende inkomsten uit Nederland ontvangen:
Inhoudingsplichtige Brutobedrag Ingehouden loonheffing
Nationale Nederlanden (NN) € 187.660 € 44.187
ING Bank Personeel (ING) € 1.356 € 256
Sociale Verzekeringsbank (SVB) € 9.975 € 956
Totaal € 198.991 € 45.399

3.3 Belanghebbende heeft aangifte IB voor 2023 gedaan als buitenlandse belastingplichtige. Het aangegeven inkomen bedraagt € 149.761 en de aangegeven loonheffing € 46.568.

3.4 De inspecteur heeft de aanslag IB voor het jaar 2023 – in afwijking van de aangifte – vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 142.286, dat als volgt is opgebouwd:
70% van de pensioenuitkering van NN € 131.362
70% van de pensioenuitkering van ING € 949
Het volledige bedrag van de AOW-uitkering € 9.975
Totaal € 142.286

3.5 De pensioenuitkeringen van NN en ING zijn voor 70% tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend omdat de inspecteur van oordeel is dat Nederland slechts over 70% daarvan heffingsrecht heeft, omdat 30% toerekenbaar is aan de periode dat belanghebbende in [plaats] werkzaam was.

3.6 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB 2023. Volgens belanghebbende moet ook slechts 70% van de AOW-uitkering in de belastingheffing worden betrokken. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen.

3.7 Belanghebbende voldoet in het jaar 2023 niet aan de voorwaarden om aangemerkt te worden als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige in de zin van artikel 7.8 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001).

3.8 Verder staat vast dat de inspecteur door het opmaken van een verminderingsbeschikking van de aanslag IB voor het jaar 2017 bij belanghebbende het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat ook ten aanzien van de AOW-uitkering – net als ten aanzien van de periodieke ouderdomspensioenuitkeringen – recht bestaat op een gedeeltelijke vrijstelling van Nederlandse belastingheffing. De inspecteur heeft het vertrouwen op 19 december 2023 telefonisch opgezegd.

Beoordeling door de rechtbank

Belastingheffing over de AOW-uitkering

4 Belanghebbende stelt dat de AOW-uitkering slechts voor 70% in de belastingheffing mag worden betrokken. Hij verwijst daarvoor naar een brief van de inspecteur van 25 juli 2010 waarin ten aanzien van het ouderdomspensioen van NN het standpunt is ingenomen dat slechts 70% belastbaar is in Nederland omdat Nederland op grond van artikel 7.2., tweede lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001 slechts het heffingsrecht heeft over dat deel dat is opgebouwd tijdens zijn Nederlandse diensttijd. De 30% die belanghebbende heeft opgebouwd in de tijd dat hij in [plaats] werkzaam was, wordt op grond van voornoemde brief niet in Nederland belast. Volgens belanghebbende heeft het voorgaande overeenkomstig te gelden voor de AOW-uitkering omdat de AOW-uitkering gelijk kan worden gesteld met de door hem ontvangen pensioenuitkeringen van NN en ING.

4.1 De rechtbank stelt vast dat belanghebbende op dit punt hetzelfde aanvoert als in de procedure met betrekking tot het belastingjaar 2020. De rechtbank komt voor het onderhavige belastingjaar tot hetzelfde oordeel als het oordeel dat zij heeft gegeven voor het belastingjaar 2020, namelijk dat de door belanghebbende ontvangen AOW-uitkering zowel op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en [plaats](het belastingverdrag) als op basis van de Wet IB 2001 volledig tot het belastbaar inkomen uit werk en woning in de aanslag IB 2023 behoort. Voor de motivering van dit oordeel verwijst de rechtbank naar haar uitspraak over het belastingjaar 2020.

Vertrouwensbeginsel

4.2 Belanghebbende stelt dat op grond van het door de inspecteur gewekte vertrouwen de AOW-uitkering toch slechts voor 70% in de belastingheffing mag worden betrokken. Volgens belanghebbende is het vertrouwen op 19 december 2023 niet rechtsgeldig opgezegd, omdat de inspecteur geen geldige reden voor de opzegging heeft gegeven. Voor het geval het vertrouwen wel rechtsgeldig is opgezegd, kan die opzegging volgens belanghebbende in ieder geval geen gevolgen hebben voor de periode vóór 19 december 2023.

4.3 De inspecteur stelt dat het gewekte vertrouwen op 19 december 2023 rechtsgeldig is opgezegd. Volgens de inspecteur kan belanghebbende voor het hele belastingjaar 2023 geen geslaagd beroep meer doen op het vertrouwensbeginsel omdat de opzegging nog in datzelfde belastingjaar heeft plaatsgevonden.

4.4 Naar het oordeel van de rechtbank is het gewekte vertrouwen op 19 december 2023 rechtsgeldig opgezegd. Voor de opzegging gelden geen bijzondere vormvoorschriften. Het is dus niet van belang dat de opzegging telefonisch heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin vereist dat de inspecteur voor de opzegging een (geldige) reden geeft. Voldoende is dat de inspecteur aan belanghebbende duidelijk kenbaar maakt dat hij zijn eerdere standpunt niet langer handhaaft. Tussen partijen is niet in geschil dat de inspecteur dit op 19 december 2023 telefonisch heeft gedaan.

4.5 Verder is de rechtbank van oordeel dat het wegnemen van opgewekt vertrouwen met terugwerkende kracht als uitgangspunt niet mogelijk is. Het gewekte vertrouwen moet in ieder geval worden gehonoreerd tot het tijdstip waarop de inspecteur de belastingplichtige kenbaar heeft gemaakt dat hij zijn standpunt heeft gewijzigd.Aangezien de inspecteur het vertrouwen pas met ingang van 19 december 2023 heeft opgezegd, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat van 348/360 deel van de AOW-uitkering slechts 70% in de belastingheffing mag worden betrokken. Het resterende deel van de AOW-uitkering mag volledig in de belastingheffing worden betrokken. De AOW-uitkering kan in het belastingjaar 2023 dus slechts tegen een bedrag van € 7.082,25 in de belastingheffing worden betrokken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt in zoverre.

4.6 Het voorgaande betekent dat de aanslag IB 2023 moet worden verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van (afgerond) € 139.393.

Conclusie en gevolgen

5 Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de aanslag IB 2023 verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 139.393. De belastingrentebeschikking zal dienovereenkomstig worden gewijzigd.

5.1 Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende het door hem betaalde griffierecht van € 53 terug. Belanghebbende heeft als uitgangspunt ook recht op een proceskostenvergoeding, maar hij heeft geen kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank kent belanghebbende daarom geen proceskostenvergoeding toe.

Beslissing

De rechtbank verklaart:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vermindert de aanslag IB 2023 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 139.393 en wijzigt de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier.

griffier rechter

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl en aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Aangehaalde uitspraken