Rb. Zeeland-West-Brabant 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9759
Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiser een rijvaardigheidsonderzoek op te leggen omdat sprake is van een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid. De rechtbank komt tot het oordeel dat het CBR het rijvaardigheidsonderzoek op goede gronden heeft opgelegd. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/3308
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N.D. Bouman),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiser een rijvaardigheidsonderzoek op te leggen omdat sprake is van een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank het besluit van het CBR.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CBR het rijvaardigheidsonderzoek op goede gronden heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Met het bestreden besluit van 6 mei 2026 op het bezwaar van eiser is het CBR bij het besluit tot oplegging van het rijvaardigheidsonderzoek gebleven.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eiser heeft de gronden aangevuld. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. S.J.M. van der Ark namens het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
3 Op 16 december 2025 heeft de politie een schriftelijke mededeling gedaan aan het CBR, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorie(ën) AM/B/BE/T van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven. Als bijlage bij de mededeling is een mutatierapport overgelegd, aangevuld met een proces-verbaal van 5 januari 2026.
3.1 Naar aanleiding van de mededeling heeft het CBR met het primaire besluit van 11 februari 2026 besloten dat eiser een rijvaardigheidsonderzoek moet doen. Het CBR wijst op de volgende informatie die het van de politie over eiser heeft ontvangen:
Op dinsdag 16 december 2025 nam de politie waar dat eiser als bestuurder van een auto afwijkend gedrag vertoonde. Eiser reed op de Midden Brabantweg met een snelheid van ongeveer 60 km/u, terwijl daar 100 km/u is toegestaan. De politie merkte dit op omdat de afstand tussen eisers auto en het dienstvoertuig gelijk bleef. De politie besloot eiser te laten stoppen en gaf een volgteken via het stoptransparant. Eiser bleef echter met 60 km/uur doorrijden en volgde de politie niet de afrit op. Hierdoor moest de politie op het puntstuk stoppen om te voorkomen dat eiser zou doorrijden.
3.2 Eiser heeft de opleggingskosten en de kosten voor de rijvaardigheidstoets betaald.
3.3 Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tijdens een hoorzitting heeft eiser zijn bezwaar bij het CBR mondeling toegelicht.
3.4 Tussen partijen staat vast dat eiser alleen een rijvaardigheidstoets voor zijn rijbewijs met categorie B moet doen. Dit volgt uit de brief van 6 mei 2026.
3.5 Met het bestreden besluit heeft het CBR het bezwaar ongegrond verklaard. Door de combinatie van een afwijkende, te lage snelheid én het niet adequaat reageren op een volgteken stelt het CBR zich op het standpunt dat sprake is van gedragingen die vallen onder de criteria over onvoldoende kijkgedrag en gebrekkige rijvaardigheid zoals opgenomen in de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: de Regeling).
Toetsingskader
4. Het CBR heeft aan de oplegging van het rijvaardigheidsonderzoek artikel 131 van de Wvw en artikel 23, derde lid en bijlage 1, onder A, onderdeel II, eerste lid, onder f, en tweede lid, onder b, van de Regeling ten grondslag gelegd.
4.1 De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Wat voert eiser aan?
5. Eiser voert – kort samengevat – aan dat het CBR geen rijvaardigheidsonderzoek kon opleggen. Volgens eiser is sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiser stelt dat zijn rijgedrag op 16 december 2025 niet op een gebrekkige rijvaardigheid duidt. Hij reed achter het voertuig van de verbalisanten, waaruit volgt dat ook zij met een snelheid van ongeveer 60 km/u reden. De enkele omstandigheid dat eiser dezelfde snelheid aanhield kan niet worden aangemerkt als een aanwijzing van gebrekkige rijvaardigheid. Eiser merkt op dat het niet ongebruikelijk of ontoelaatbaar is om met een snelheid van 60 km/u op de Midden-Brabantweg te rijden. Ook was geen sprake van een situatie waarin overige verkeersdeelnemers door zijn rijgedrag werden gehinderd. Verder stelt eiser dat geen sprake is van niet adequaat kijkgedrag, omdat hij het volgteken van de politie wel heeft opgemerkt. Juist daarom is hij achter de verbalisanten blijven rijden. Daarmee heeft hij gevolg gegeven aan de aanwijzing van de politie. Bovendien betwist eiser onder meer de in het proces-verbaal opgenomen bevinding dat hij op het puntstuk tot stilstand zou zijn gekomen. Volgens eiser is hij de verbalisanten gevolgd tot aan Loon op Zand waar zij tot stilstand kwamen op een parkeerplaats. Ook merkt eiser op dat zijn rijgedrag niet de reden is geweest van de staande houding, maar de status van de APK-keuring van zijn auto. Eiser twijfelt aan de betrouwbaarheid van de waarnemingen van verbalisanten.
Mocht het CBR besluiten dat eiser een rijvaardigheidsonderzoek moet doen?
6. De rechtbank stelt voorop dat voor het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid hoeft te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de vaardigheid om een motorrijtuig te besturen. Het opleggen van een dergelijk onderzoek is een bestuursrechtelijke maatregel ter bevordering van de verkeersveiligheid, die losstaat van een eventuele strafrechtelijke procedure.
6.1 Het vermoeden dat een betrokkene niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen waarvoor aan hem een rijbewijs is afgegeven, kan worden gebaseerd op een mutatierapport. Een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal ter staving van het vermoeden is niet vereist.
6.2 Het CBR heeft in dit geval aan de hand van het mutatierapport in combinatie met het aanvullende proces-verbaal het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid gebaseerd op onvoldoende bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer ten aanzien van het kijkgedrag en het rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid.
Het proces-verbaal
6.3 Voor zover eiser de betrouwbaarheid en juistheid van het proces-verbaal betwist, overweegt de rechtbank als volgt. De enkele door eiser genoemde omstandigheid dat de verbalisanten tijdens het rijden meerdere verkeersaspecten in het oog moesten houden, is onvoldoende om aan de betrouwbaarheid en juistheid van het proces-verbaal of mutatierapport te twijfelen. Van een opsporingsambtenaar met voldoende rijvaardigheid kan worden verwacht, dat hij tijdens het autorijden het rijgedrag van een andere weggebruiker zorgvuldig kan waarnemen en registreren. Eiser heeft bovendien geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de bevindingen in het mutatierapport en het proces-verbaal onjuist zijn. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij door de politie staande is gehouden vanwege een verlopen APK-keuring sluit naar het oordeel van de rechtbank niet uit dat de opsporingsambtenaren niet ook het verkeersgedrag van eiser konden waarnemen. Dit betekent dat het CBR naar het oordeel van de rechtbank uit mag gaan van de juistheid van het mutatierapport en het proces-verbaal. De beroepsgrond slaagt niet.
Gebrekkige rijvaardigheid
6.4 De rechtbank is van oordeel dat het CBR het rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid aan het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid ten grondslag kon leggen. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser met een snelheid van 60 km/u reed op de Midden-Brabantweg waar de maximumsnelheid 100 km/u bedraagt.
6.5 De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat eiser zonder kenbare reden 60 km/u reed op een autosnelweg waar een maximumsnelheid van 100 km/u geldt, in het algemeen kan worden aangemerkt als een aanwijzing voor gebrekkige rijvaardigheid. Uit het proces-verbaal volgt dat de politie zag dat eiser achter hen reed met een snelheid van ongeveer 60 km/u. Dit zag de politie omdat de afstand niet groter of kleiner werd. Daarna besloot de politie een volgteken te geven. Gelet hierop volgt de rechtbank de stelling van eiser niet dat hij 60 km/u reed omdat hij de politieauto volgde die ook al 60 km/u reed. Zoals onder 6.3 is overwogen ziet de rechtbank ook geen aanleiding om aan de juistheid van het proces-verbaal te twijfelen. Bovendien is niet doorslaggevend of eiser op dat moment hinder veroorzaakte voor het overige verkeer. De beroepsgrond slaagt niet.
Niet adequaat kijkgedrag
6.6 De rechtbank is verder van oordeel dat het CBR ook het niet adequate kijkgedrag aan het vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid ten grondslag heeft mogen leggen. Uit de bevindingen van de politie volgt dat aan eiser een stopteken is gegeven. Ook is opgenomen dat eiser niet leek te begrijpen wat hij moest doen en dat hij de politie niet de afrit op volgde. Dit resulteerde ertoe dat de politie op het puntstuk stil moest staan. Het CBR heeft zich, naar de rechtbank begrijpt, op het standpunt gesteld dat het onvoldoende adequaat reageren van eiser op het stopteken en de daarbij gegeven aanwijzing kan worden aangemerkt als onvoldoende adequaat kijkgedag. De rechtbank kan het CBR hierin volgen. Uit de beschreven gedragingen blijkt immers dat eiser de aanwijzing van de politie kennelijk onvoldoende heeft waargenomen en daarop niet adequaat heeft gereageerd. Dit gedrag kan worden aangemerkt als een aanwijzing voor onvoldoende rijvaardigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
6.7 Eiser heeft gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
6.8 Het CBR heeft gesteld dat de Regeling slechts in uitzonderlijke gevallen buiten toepassing kan worden gelaten, als de gevolgen daarvan onevenredig uitwerken. Een besluit met harde gevolgen is niet per definitie een onevenredig besluit. Volgens het CBR kan in wat eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten worden gezien voor de conclusie dat eiser zich in een uitzonderlijke positie bevindt.
6.9 De rechtbank volgt het CBR in die conclusie en betrekt daarbij dat eiser tijdens de zitting heeft aangegeven dat de beroepsgrond alleen kort in het inleidend beroepschrift staat opgenomen en dat hij deze grond niet wenst aan te vullen. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser niet betwist dat het bestreden besluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7 De rechtbank komt tot de conclusie dat het CBR op goede gronden heeft besloten dat eiser een rijvaardigheidsonderzoek moet doen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Wilbrink, griffier, op 8 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wegenverkeerswet 1994
Artikel 130, eerste lid:
1 Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
Artikel 131, eerste lid, onder b:
1 Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
[…]
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Artikel 2, eerste lid:
1 Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.
[…].
Artikel 23, derde lid, onder a:
Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:
a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage onder A, onderdelen I, Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig, of II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer.
Bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
A. Rijvaardigheid en rijgedrag
[…]
II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer
1 Niet adequaat kijkgedrag
Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:
[…]
dan wel zich manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeen.
2 Gebrekkige rijvaardigheid
Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:
[…]
rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;
[…].