Rb. Zeeland-West-Brabant 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9757
Bij besluit van 22 december 2023 heeft de minister aan eiseres maatwerkvoorschriften opgelegd over het plaatsen van visfuiken of visnetten in [locatie 1] en bij [locatie 2]. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het besluit van 26 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard en de opgelegde maatwerkvoorschriften in stand gelaten. De gestelde maatwerkvoorschriften zijn geschikt en noodzakelijk, maar zijn volgens de rechtbank in het geval van eiseres niet evenredig. De minister heeft, ter uitvoering van de in de tussenuitspraak opgenomen bestuurlijke lus, het bestreden besluit van 26 februari 2024 ingetrokken. Partijen zijn het er over eens dat het (primaire) besluit van 22 december 2023 – ondanks de intrekking van het bestreden besluit – niet is komen te vervallen. Partijen zijn het er ook over eens dat – tot het onherroepelijk worden van het besluit van 22 december 2023 – het vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toepasselijke recht op het besluit van 22 december 2023 van toepassing is. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiseres in ieder geval tot het onherroepelijk worden van dat besluit een procesbelang heeft. De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken en inmiddels ook erkend dat het besluit van 22 december 2023 niet is vervallen. De rechtbank zal zelf voorzien in deze kwestie, en daarbij aansluiten bij de overwegingen uit de tussenuitspraak. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de uitwerking van de bestuurlijke lus niet is ingegaan op de door de rechtbank in de tussenuitspraak opgenomen overweging dat de maatwerkvoorschriften in het geval van eiseres niet evenwichtig zijn. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat sub c van de maatwerkvoorschriften uit het besluit van 22 december 2023 – waarin is bepaald dat het plaatsen van visfuiken of visnetten niet is toegestaan in de voorhaven van sluizen – zodanig wordt aangepast dat het eiseres is toegestaan om de visfuiken of visnetten te plaatsen op de in de bijlage bij de tussenuitspraak gearceerde locaties. Voor het overige blijft het besluit van 22 december 2023 in stand. Het verzoek van eiseres om schadevergoeding wijst de rechtbank af.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/4919
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen
de vennootschap onder firma [eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J. van Groningen,
en
De minister van Infrastructuur en Waterstaat, minister.
Procesverloop
1 Bij besluit van 22 december 2023 heeft de minister aan eiseres maatwerkvoorschriften opgelegd over het plaatsen van visfuiken of visnetten in [locatie 1] en bij [locatie 2] . Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het besluit van 26 april 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard en de opgelegde maatwerkvoorschriften in stand gelaten. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.1 De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiseres is ter zitting vertegenwoordigd door [persoon] , vergezeld door zijn echtgenote. De minister is vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. drs. B.E.G. Wiskerke.
1.2 Na de behandeling op de zitting heeft de rechtbank op 10 december 2025 een tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft geconstateerd dat het bestreden besluit een gebrek heeft. De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen (bestuurlijke lus). In reactie op de tussenuitspraak heeft de minister op 7 januari 2026 het bestreden besluit ingetrokken. Eiseres heeft op 13 februari 2026 schriftelijk gereageerd op de uitwerking van de bestuurlijke lus door de minister.
1.3 De rechtbank heeft partijen bij brief van 26 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om in te gaan op de vragen van de rechtbank over het procesbelang van eiseres. Partijen zijn ook expliciet verzocht om aan te geven of zij een tweede zitting wensen. Eiseres heeft op
20 april 2026 schriftelijk gereageerd. De minister heeft op 22 april 2026 en 30 april 2026 een schriftelijke reactie aan de rechtbank toegezonden. Geen van de partijen heeft om een tweede zitting verzocht.
1.4 De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en sluit in deze uitspraak het onderzoek. Hierna zal de rechtbank schriftelijk uitspraak doen.
Overwegingen
2. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3. De voor de beoordeling van belang zijnde wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het door de minister gestelde verbod – dat vanaf 2012 niet in de voorhavens gevist mag worden – niet aannemelijk is geworden. Het verval van de vergunningsplicht op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken per eind 2009 heeft materieel geen wijziging aangebracht in de gebieden waar op grond van de vergunningsvoorschriften uit 1997 gevist mocht worden. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat er gevist mocht worden achter de geleidewerken (of remmingwerken) en wachtplaatsen, mits direct achter de geleidewerken een strook van minimaal tien meter vrij zou blijven.
4.1 De gestelde maatwerkvoorschriften zijn geschikt en noodzakelijk, maar zijn volgens de rechtbank in het geval van eiseres niet evenredig. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat in de in 1997 verleende vergunning weliswaar een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om aalfuiken te plaatsen in de voorhaven, maar dit verbod gold uitdrukkelijk niet voor het gebied op een afstand van minimaal tien meter achter de geleidewerken/remmingswerken. Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven waar zij haar visfuiken plaatst. De rechtbank heeft een afbeelding hiervan als bijlage aan de tussenuitspraak gehecht. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de minister niet voldoende gemotiveerd heeft waarom de gestelde maatwerkvoorschriften gelet op onderhoud, veiligheid en de ter zitting besproken vispassage, in het geval van eiseres voor de door haar gebruikte delen van de voorhaven evenwichtig zijn. Er is geen sprake van (kenbare) noemenswaardige incidenten, de vispassage is nog niet aangelegd en de plaats daarvan valt buiten het gebied waar eiseres vist. De minister heeft daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom er in geen enkel deel van de voorhavens gevist mag worden.
4.2 De minister heeft, ter uitvoering van de in de tussenuitspraak opgenomen bestuurlijke lus, het bestreden besluit van 26 februari 2024 ingetrokken. Volgens de minister is het (primaire) besluit van 22 december 2023 door de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) van rechtswege vervallen en kan voor het overgangsrecht niet worden teruggevallen op de Invoeringswet Omgevingswet (Invoeringswet Ow) of het Invoeringsbesluit Omgevingswet. De minister meende daarom te kunnen volstaan met de intrekking van het bestreden besluit. Eiseres heeft in haar zienswijze naar voren gebracht dat het besluit van 22 december 2023 op grond van artikel 4.1.10 van de Invoeringsregeling Omgevingswet (Invoeringsregeling Ow) niet van rechtswege is vervallen en dat het recht van voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht blijft totdat het besluit van 22 december 2023 onherroepelijk vaststaat.
4.3 In de in overweging 1.3 aangehaalde brief heeft de rechtbank de minister verzocht om in te gaan op het resterende procesbelang van eiseres als de rechtbank artikel 4.1.10 van de Invoeringsregeling Ow van toepassing acht. Omdat de minister alleen het bestreden besluit heeft ingetrokken, is het besluit van 22 december 2023 in stand gebleven. De rechtbank heeft partijen in de aangehaalde brief ook verzocht om in te gaan op de vraag of de uitkomst van deze procedure nog feitelijke betekenis voor eiseres heeft, met dien verstande dat de rechtbank deze vraag stelt in het kader van het eventueel zelf voorzien in de zaak door bijvoorbeeld een aanpassing van de maatwerkvoorschriften.
4.4 Eiseres stelt hierop in haar reactie dat zij nog steeds een procesbelang heeft, omdat een (al dan niet gedeeltelijke) wijziging van de maatwerkvoorschriften haar recht om te vissen in de voorhaven (dan wel de omvang daarvan) zal beïnvloeden. De minister erkent in de reactie hierop dat – in tegenstelling tot het eerder ingenomen standpunt – het besluit van
22 december 2023 niet van rechtswege is vervallen. Vanaf het moment dat dit besluit onherroepelijk wordt, vervallen de maatwerkvoorschriften van rechtswege. Tot dat moment zou eiseres, volgens de minister, theoretisch een procesbelang kunnen hebben. In de onderhavige zaak is dat volgens de minister uiteindelijk niet het geval, omdat eiseres niet voldoet aan de in artikel 4.1.10, derde lid, van de Invoeringsregeling Ow opgenomen voorwaarden. Ook kan eiseres geen beroep doen op de artikelen 4.13 en 4.14 van de Invoeringswet Ow, omdat eiseres ook niet aan de voorwaarden in deze artikelen voldoet. Voor zover het beroep op artikel 4.14 van de Invoeringswet Ow zou slagen, is die situatie beperkt tot 1 januari 2026.
4.5 Partijen zijn het er over eens dat het (primaire) besluit van 22 december 2023 – ondanks de intrekking van het bestreden besluit – niet is komen te vervallen. Partijen zijn het er ook over eens dat – tot het onherroepelijk worden van het besluit van 22 december 2023 – het vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toepasselijke recht op het besluit van 22 december 2023 van toepassing is. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat eiseres in ieder geval tot het onherroepelijk worden van dat besluit een procesbelang heeft.
4.6 De minister heeft het bestreden besluit ingetrokken en inmiddels ook erkend dat het besluit van 22 december 2023 niet is vervallen. Er loopt nog steeds sprake een beroepsprocedure die (ook) tegen dit primaire besluit is gericht. De rechtbank zal zelf voorzien in deze kwestie, en daarbij aansluiten bij de overwegingen uit de tussenuitspraak. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de uitwerking van de bestuurlijke lus niet is ingegaan op de door de rechtbank in de tussenuitspraak opgenomen overweging dat de maatwerkvoorschriften in het geval van eiseres niet evenwichtig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de uitwerking van de bestuurlijke lus het in de tussenuitspraak aangehaalde gebrek dan ook onvoldoende hersteld. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat sub c van de maatwerkvoorschriften uit het besluit van 22 december 2023 – waarin is bepaald dat het plaatsen van visfuiken of visnetten niet is toegestaan in de voorhaven van sluizen – zodanig wordt aangepast dat het eiseres is toegestaan om de visfuiken of visnetten te plaatsen op de in de bijlage bij de tussenuitspraak gearceerde locaties. Voor het overige blijft het besluit van 22 december 2023 in stand.
4.7 De rechtbank wijst het verzoek van eiseres tot toekenning van schadevergoeding af, omdat eiseres die vordering geenszins heeft onderbouwd. Daarbij betrekt de rechtbank dat is komen vast te staan dat eiseres om andere redenen dan het opgelegde maatwerkvoorschrift een periode niet heeft gevist.
4.8 Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De gemachtigde heeft een schriftelijke zienswijze ingediend na een bestuurlijke lus. Deze bijstand levert 0,5 punt op (met een waarde per punt van € 934,00), bij een wegingsfactor 1. Voor het indienen van het beroepschrift en de zitting wordt geen vergoeding toegekend omdat eiseres toen niet werd bijgestaan door een gemachtigde. Toegekend wordt € 467,00. Ook moet de minister het griffierecht aan eiseres terugbetalen.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
bepaalt dat sub c van het besluit van 22 december 2023 zodanig wordt aangepast dat het eiseres is toegestaan om de visfuiken of visnetten te plaatsen op de in de bijlage bij de tussenuitspraak gearceerde locaties in de voorhaven van [locatie 2] ;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het door de minister ingetrokken bestreden besluit;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 371,00 aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,00.
Deze uitspraak is gedaan op 9 oktober 2026 door mr. R.P. Broeders, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. S. Hindriks, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.E. Loontjens, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage met relevante wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:4: 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Omgevingswet (Ow)
Artikel 5.1, tweede lid, sub f, onder 2º:
2 Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
f. een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:
2º. een waterstaatswerk,
Invoeringswet Omgevingswet (Invoeringswet Ow)
Artikel 4.13, eerste lid:
1 Een ontheffing of vergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling van toepassing is als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit.
Artikel 4.14:
Als een activiteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zonder ontheffing of vergunning onafgebroken rechtmatig is verricht en bij de inwerkingtreding van de die wet voor die activiteiten een verbod als bedoeld in artikel 5.1, 5.3 of 5.4 van de Omgevingswet van toepassing wordt, geldt voor die activiteit bij de inwerkingtreding van die wet een omgevingsvergunning van rechtswege voor een termijn van twee jaar, mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals deze werd verricht voor de inwerkingtreding van die wet. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor daarbij aangegeven activiteiten worden bepaald dat:
a. een omgevingsvergunning van rechtswege geldt voor een andere daarbij aangegeven termijn,
b. aan de geldigheid van een omgevingsvergunning van rechtswege geen termijn is verbonden.
Invoeringsregeling Omgevingswet (Invoeringsregeling Ow)
Artikel 4.1.10, tweede en derde lid:
2 Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6.15, eerste lid, of 6.17, derde lid, van de Waterregeling toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht of het besluit is bekendgemaakt, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
3 Een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften dat onherroepelijk is, geldt als:
a. een besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 6.7, eerste lid, of 7.7, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die voorschriften gaan over een onderwerp waarvoor het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften kan stellen als bedoeld in dat artikel; of
b. een besluit tot het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning, voor zover die voorschriften gaan over een onderwerp waarover voorschriften aan ene omgevingsvergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 of 7 van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen worden verboden.
Waterbesluit (Wtb)
Artikel 6.12 eerste lid en tweede lid sub f: 1. Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk, niet zijnde de Noordzee, door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder: a. werken te maken of te behouden; b. vaste instanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: f. bij ministeriële regeling aan te wijzen activiteiten van ondergeschikt belang voor de veilige en doelmatige functievervulling van het oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk;
Artikel 6.15, eerste lid, tweede lid sub b, en derde lid: 1. Degene die gebruik maakt van een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk in beheer bij het Rijk of een waterkering in beheer bij het Rijk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen, waarvoor geen vergunning krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 vereist is, draagt zorg voor: a. een zodanige situering en uitvoering van de handelingen dat geen nadelige gevolgen optreden voor het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam of het bijbehorende kunstwerk, dan wel de waterkering of een daartoe behorende beschermingszone, overeenkomstig de daaraan toegekende functies, voor de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam en voor het kustfundament; b. het voorkomen van een feitelijke belemmering voor vergroting van de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam; en c. een zo gering mogelijke waterstandsverhoging of afname van het bergend vermogen van het oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van het gebruik, alsmede het compenseren van resterende onvermijdbare waterstandseffecten. 2. Het gebruik, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval uitgevoerd overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen regels. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op: b. het melden en registreren van gegevens ten aanzien van het gebruik en de opgave daarvan aan Onze Minister. 3. Bij de in het tweede lid bedoelde regeling kan worden bepaald dat Onze Minister voor daarbij aan te wijzen aspecten van het gebruik aan de gebruiker voorschriften kan opleggen ter uitwerking van de in dat lid bedoelde regels. Daarbij kan worden bepaald dat de voorschriften kunnen afwijken van die regels.
Waterregeling (Wtr)
Artikel 6.11, eerste lid, sub g: 1. Activiteiten van ondergeschikt belang als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, onderdeel f, van het besluit zijn: g. het plaatsen van visfuiken of visnetten;
Artikel 6.14, eerste lid: 1. Degene die een werk of een activiteit gaat uitvoeren, waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, meldt dit schriftelijk ten minste vier weken voor de uitvoering aan de minister.
Artikel 15 eerste lid sub a, en tweede: 1. Ten aanzien van werken of activiteiten waarvoor krachtens artikel 6.12, 6.13 of 6.14 van het besluit geen vergunning is vereist, kan de minister met het oog op de bescherming van de belangen die het gestelde in artikel 16.15 van het besluit en de artikelen 6.8 en 6.9 beoogt te waarborgen, maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van: a. de locatie; 2. De overeenkomstig het eerste lid te stellen maatwerkvoorschriften leiden er niet toe dat de activiteit of het werk grotendeels of in het geheel geen doorgang kan vinden, tenzij die activiteit naar het oordeel van de beheerder nadelige gevolgen heeft voor het betrokken waterstaatswerk.