Rb. Zeeland-West-Brabant 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9652

De Svb heeft een korting op het pensioen toegepast van 12%, omdat eiser in de periode van 17 juli 1975 tot en met 20 april 1982 niet verzekerd zou zijn geweest voor de AOW.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/17
uitspraak van 6 oktober 2026*** 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (eiser), uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (de Svb), verweerder
(gemachtigde: mr. M.D. van Houten).

Inleiding

1 In een besluit van 2 juli 2025 (primair besluit) heeft de Svb aan eiser een pensioen toegekend op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) met ingang van 17 juli 2025. De Svb heeft een korting op het pensioen toegepast van 12%, omdat eiser in de periode van 17 juli 1975 tot en met 20 april 1982 niet verzekerd zou zijn geweest voor de AOW.

1.1 In het bestreden besluit van 21 november 2025 heeft de Svb eisers bezwaren tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

1.2 De Svb heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.3 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 15 september 2026. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De Svb is niet verschenen.

Overwegingen Relevante feiten en omstandigheden

2 Eiser was van 1 juli 1973 tot en met 30 april 1982 werkzaam aan boord van een binnenvaartschip op de Rijn. Hij was in deze periode in dienst van [bedrijf] , gevestigd te [plaats] (België). Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit, heeft altijd in Nederland gewoond en tijdens zijn werkzame leven voor het grootste gedeelte in Nederland gewerkt.

Eiser heeft op 15 mei 2025 een aanvraag ingediend om een pensioenuitkering te krijgen op grond van de AOW. De Svb is naar aanleiding hiervan overgegaan tot de bestreden besluitvorming.

Het standpunt van de Svb

3 Volgens de Svb is eisers AOW-pensioen terecht gekort met 12%. Hoewel eiser zijn werkzame leven in Nederland is blijven wonen, was hij over de periode van 17 juli 1975 tot en met 30 april 1982 niet verzekerd voor de AOW op grond van artikel 6a van de AOW. Eiser was destijds werkzaam in de Rijn- en Binnenscheepvaart, waardoor op hem de bepalingen van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) van toepassing waren. In artikel 11, eerste lid, van dit verdrag is bepaald dat op een rijnvarende slechts de wetgeving van één verdragsland van toepassing is. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat dit de wetgeving is van het land waar de onderneming is gevestigd waartoe het schip behoort. Nu eiser in de periode van 1 juli 1973 tot en met 30 april 1982 werkzaam was op een schip van een Belgische rederij, is op hem voor de bestreden periode (vanaf 17 juli 1975) de Belgische wetgeving van toepassing. Over deze periode heeft hij dan ook een ouderdomspensioen uit België toegekend gekregen.

Eisers standpunt

4 Eiser stelt dat de Svb zijn AOW-pensioen over de periode van 17 juli 1975 tot en met 30 april 1982 ten onrechte heeft gekort. Hij voert hierover – kort samengevat – aan dat hij als rijnvarende altijd verzekerd is geweest, werkzaam was in de binnenvaart op de Rijn, en als Nederlander verplicht verzekerd was in Nederland voor de sociale zekerheid. Volgens eiser volgt dit uit de 'Akte van Mannheim' en het 'Verdrag van Sociale Zekerheid voor Rijnvarenden'. Hij stelt daarnaast dat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandig-heid dat hij altijd in Nederland heeft gewoond, de Nederlandse nationaliteit bezit en een substantieel deel van zijn werkzame leven in Nederland heeft gewerkt. Volgens eiser had de Svb het Belgische rustpensioen dan ook niet in mindering mogen brengen op zijn AOW-pensioen. De Svb had de jaren waarin hij werkzaam was voor een Belgsche werkgever moeten meetellen bij de berekening van zijn AOW-pensioen, zoals de Belgische overheid dit omgekeerd wel heeft gedaan met de jaren waarin hij in Nederland werkzaam was.

Het relevante beoordelingskader

5 In artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is opgenomen dat slechts de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing is op een rijnvarende. Dit is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich de zetel bevindt van de onderneming, waartoe het in artikel 1, sub m, bedoelde schip, aan boord waarvan deze rijnvarende zijn beroepsarbeid verricht, behoort. Indien deze onderneming echter geen zetel heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, is op de rijnvarende van toepassing de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zich het filiaal of de vaste vertegenwoordiging van die onderneming bevindt.

6 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is voor de AOW onder meer verzekerd degene die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en ingezetene is. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt op een bruto ouderdomspensioen op grond van de AOW een korting toegepast van 2% voor elk kalenderjaar dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de aanvangsleeftijd, maar vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd is geweest.

7 Ingevolge het eerste lid van artikel 12 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746, geldend vanaf 1 juli 2025 tot en met heden) is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.

7.1 In de Beleidsregel Ingezetene/wonen (SB1022, geldend vanaf 9 maart 2023) is onder meer opgenomen dat een ingezetene op basis van artikel 6, eerste lid, onder a van de AOW en AKW, en artikel 13, eerste lid, onder a van de Anw verplicht is verzekerd, behoudens als hij niet onvoorwaardelijk tot Nederland is toegelaten, dan wel als sprake is van één van de uitzonderingen opgesomd in het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999. Ingezetene is degene die in Nederland woont (artikel 2 van de AOW en artikel 6 Anw). Waar iemand woont of waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld (artikel 3 van de AOW en artikel 7 van de Anw).

7.2 Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1976 (KB 557, zoals van kracht ten tijde van de periode in geding van 1 juli 1973 tot en met 30 april 1982) wordt niet als verzekerde in de zin van de AOW aangemerkt de ingezetene, die, in dienstbetrekking staande tot een buiten het Rijk wonende of gevestigde werkgever, deel uitmaakt van het personeel van het zich bewegend (varend of rijdend) gedeelte van een transportonderneming, niet behorende tot de zeevaart, en ter zake daarvan krachtens een in het land, waar zijn werkgever woont of gevestigd is, geldende wettelijke regeling inzake uitkering wegens ouderdom, overlijden en langdurige arbeidsongeschiktheid alsmede inzake kinderbijslag verzekerd is.
Bewijslastverdeling
8. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast ter onderbouwing van een aanvraag in hoofdzaak bij de aanvrager ligt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026: 283). Het is dus in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij over de betrokken periode ingezetene was in Nederland, en daarmee verzekerd was voor de AOW.
Beoordeling door de rechtbank
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Svb op basis van de beschikbare gegevens in overeenstemming met artikel 12, eerste lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 en de Beleidsregel Ingezetene/wonen (SB1022) – zoals geldend ten tijde van de bestreden besluitvorming – terecht geconcludeerd dat eiser gedurende de te beoordelen periode niet kan worden aangemerkt als ingezetene in de zin van artikel 6, eerste lid, van de AOW, omdat hij toen als rijnvarende werkzaam was op een schip met een Belgische exploitant. Eiser was daarom niet verzekerd voor de AOW.
De rechtbank merkt hierbij ten overvloede op dat eiser ook niet als verzekerde in de zin van de AOW kan worden aangemerkt over de te beoordelen periode als zou moeten worden uitgegaan van de regelgeving die destijds toepasselijk was (het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1976). Omdat eiser niet verzekerd was voor de AOW, mocht de Svb op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW ook overgaan tot het toepassen van een korting van 2% voor elk kalenderjaar dat eiser niet verzekerd is geweest. Anders dan eiser stelt, heeft de Svb zijn Belgische rustpensioen niet in mindering gebracht op zijn AOW-pensioen, maar gaat het om een korting ervan.
10. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt met name aangevoerd dat hij altijd verzekerd is geweest als rijnvarende, hij werkzaam is geweest in de binnenvaart op de Rijn, en als Nederlander verplicht verzekerd was in Nederland voor de sociale zekerheid. Eiser heeft daarbij verwezen naar (algemene) informatie die hij online via onder meer CCR, MijnOverheid en Google AI heeft verkregen. Deze gestelde omstandigheden zijn – zoals volgt uit het hiervoor opgenomen beoordelingskader – echter niet van doorslaggevend belang voor de vraag of hij gedurende de te beoordelen periode verzekerd was voor de AOW, waardoor deze niet afdoen aan de rechtmatigheid van het standpunt van de Svb. De door eiser gestelde omstandigheid dat de Belgische overheid jaren waarin eiser in Nederland heeft gewerkt heeft meegeteld bij de vaststelling van het Belgische rustpensioen, doet ook niets af aan het feit dat eiser volgens de in Nederland geldende regelgeving niet verzekerd was voor de AOW over de betrokken periode. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor de conclusie dat de door eiser aangehaalde 'Akte van Mannheim', dan wel het 'Verdrag van Sociale Zekerheid voor Rijnvarenden' zou maken dat de dwingend geformuleerde bepalingen in de AOW en het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 terzijde geschoven hadden moeten worden. Eiser heeft op 15 september 2026 nog stukken ingediend nadat het onderzoek van de rechtbank is gesloten. De rechtbank ziet geen aanleiding tot heropening van haar onderzoek, omdat de ingediende stukken feitelijk een herhaling inhouden van wat eiser al eerder heeft aangevoerd. De rechtbank merkt daarbij ten overvloede op dat de toepasselijke regelgeving over het (korten van) het AOW-pensioen niet voorschrijft dat de Svb periodes waarin een betrokkene in het buitenland verzekerd was moet samentellen met periodes waarin de betrokkene in eigen land verzekerd was. Dat eiser via Google AI informatie heeft verkregen die tot een andere uitkomst leidt, is daarbij niet van belang.
11. Eisers stelling dat de Svb onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat hij altijd in Nederland heeft gewoond, de Nederlandse nationaliteit heeft en een substantieel deel van zijn werkzame leven in Nederland heeft gewerkt, vat de rechtbank op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Het bestreden besluit vindt zijn grondslag in een gebonden bevoegdheid in een wet in formele zin (artikel 6, eerste lid, en artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de AOW). Dit betekent dat voor een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel is vereist dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet stroken met wat de wetgever kan hebben bedoeld en voorzien (zie de uitspraak van de CRvB van 27 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:471). Gesteld noch gebleken is dat die situatie zich hier voordoet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzitter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 6 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken