Rb. Zeeland-West-Brabant 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9470
Uitspraak verzoek om proceskostenvergoeding
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: 24/6226
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster,
(gemachtigde: mr. W.A. Braams),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, het college.
Als vergunninghoudster neemt aan de zaak deel: [b.v.] uit [plaats 2] .
Inleiding
1.1 Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 18 juni 2024 (bestreden besluit), over het verlenen van een omgevingsvergunning fase 1 voor de herontwikkeling van de landmark en de realisatie van een hotel tussen de Havenweg en de Boulevard in Sint-Annaland aan vergunninghoudster.
1.2 De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] , bijgestaan door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] . Vergunninghoudster is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen.
1.3 In een tussenuitspraak van 22 januari 2026 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending daarvan, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen.
1.4 Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Vergunninghoudster heeft het college op 24 februari 2026 verzocht om de omgevingsvergunning in te trekken, omdat zij niet langer uitvoering wenst te geven aan het bouwplan zoals het is vergund. Het college heeft op 28 mei 2026 besloten om de omgevingsvergunning in te trekken.
1.5 Verzoekster heeft het beroep daarna op 11 juni 2026 ingetrokken en heeft de rechtbank verzocht om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft verzocht om het college te veroordelen in de volgende proceskosten: ‘kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ en ‘reis- en verblijfskosten van € 180,32 (644 km x € 0,28)’.
1.6 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank dat verzoek.
1.7 De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank in een e-mailbericht van 30 juli 2026 meegedeeld dat het verzoek tot betalen van de gemaakte proceskosten in de vorm van reiskosten van € 180,32 akkoord is. Het college heeft niet gereageerd op het verzoek om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
1.8 De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3 Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is het college aan verzoekster tegemoetgekomen?
4 De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1 Op 26 juli 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Het college heeft op 18 mei 2026 besloten om de omgevingsvergunning in te trekken, na een daartoe strekkend verzoek van vergunninghoudster.
4.2 Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt als uitgangspunt dat geen sprake is van tegemoetkomen als het nieuwe besluit is genomen op verzoek van een derde, zoals vergunninghoudster.
4.3 De rechtbank ziet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. In de tussenuitspraak van 22 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit, de omgevingsvergunning die is verleend op verzoek van vergunninghoudster, in strijd is met het motiveringsbeginsel. Vervolgens heeft vergunninghoudster het college op 24 februari 2026 verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning. Het college heeft dat verzoek toegewezen. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het college aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten voor een bedrag van in totaal € 2.048,32. Het college moet deze vergoeding betalen.
5.1 De vergoeding is als volgt berekend. Het college heeft ingestemd met een vergoeding van de door verzoekster opgegeven reiskosten van € 180,32. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De vergoeding voor de rechtsbijstand door een gemachtigde bedraagt daarom € 1.868,-.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 371,- te vergoeden.Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 2.048,32 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.S. van Bree, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. A.M.L.E. Ides Peeters, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 1 oktober 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.