Rb. Zeeland-West-Brabant 15 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8962

VV afgewezen. School heeft in redelijkheid kunnen besluiten om leerling van basisschool te verwijderen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/4713 WET VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster, wettelijk vertegenwoordigd [de vader] (vader) en [de moeder] (moeder),
(gemachtigde: mr. A. Yandere),
en
het College van Bestuur van de Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant, het college van bestuur,
(gemachtigde: mr. K. van den Mosselaar).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over het besluit van het college van bestuur tot verwijdering van verzoekster ( [verzoekster] ) van [de school] (de school). Namens verzoekster is daar bezwaar tegen gemaakt en is bij wijze van een voorlopige voorziening gevraagd om schorsing van dat besluit en [verzoekster] alsnog toe te laten tot haar klas op de school. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.

1.1 De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2 Op 29 juni 2026 heeft het college van bestuur het voornemen om [verzoekster] van school te verwijderen bekend gemaakt. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2026 heeft het college van bestuur besloten om [verzoekster] te verwijderen en uit te schrijven van de school. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1 De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 september 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is zelf niet verschenen, maar werd vertegenwoordigd door haar vader en de gemachtigde. Het college van bestuur werd vertegenwoordigd door [persoon 1] en bijgestaan door de gemachtigde. Namens de school zijn ook [persoon 2] en [persoon 3] verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Relevante feiten en omstandigheden

3 [verzoekster] is een 11-jarig meisje dat tot en met groep 7 onderwijs heeft gevolgd op [de school] . De school heeft de afgelopen jaren specifieke begeleiding geboden aan [verzoekster] vanwege haar uiteenlopende onderwijs- en ondersteuningsbehoeften.

3.1 Op 12 maart 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de school en de ouders van [verzoekster] , waarbij de school heeft aangegeven de huidige onderwijssetting niet meer passend te achten voor [verzoekster] . De school heeft op 7 april 2026 bij de Stichting Samenwerkingsverband Roosendaal-Moerdijk (SWV) een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) voor het speciaal onderwijs (cluster 4) aangevraagd.

3.2 Het SWV heeft vervolgens onderzoek gedaan en advies ingewonnen bij een psycholoog en orthopedagoog. Naar aanleiding van het advies van de orthopedagoog heeft het SWV onderzocht of een tussenvoorziening zoals [speciaal onderwijs 1] een passende oplossing biedt. Er is een observatieplaats voorgesteld tot de zomervakantie, waarbij [verzoekster] in samenwerking met de school onderwijs kon volgen op een cluster 4 school, met als doel om helderheid te krijgen over de onderwijs- en ondersteuningsbehoefte van [verzoekster] . De ouders van [verzoekster] stonden hier niet voor open. Vervolgens heeft het SWV op 20 mei 2026 een TLV afgegeven voor de duur van twee jaar.

3.3 In het voornemen van 29 juni 2026 heeft de school aangekondigd [verzoekster] te zullen uitschrijven. Tegelijkertijd zijn de ouders opnieuw gevraagd hun medewerking te verlenen aan het aanmeldingsproces bij [speciaal onderwijs 2] . Vervolgens hebben de ouders een zienswijze ingediend, die op 6 juli 2026 met de school is besproken. Daarna is het college van bestuur overgegaan tot nemen van het bestreden besluit.
Standpunt van het college van bestuur
4. Volgens het college van bestuur is de situatie met [verzoekster] op school niet langer houdbaar. In de afgelopen jaren is intensieve begeleiding geboden, wat helaas niet tot duurzame verbetering heeft geleid. [verzoekster] is voor haar welbevinden en regulatie erg afhankelijk van de leerkracht. Ook is er dagelijks een onderwijsassistent op de groep nodig om [verzoekster] te ondersteunen en wordt er wekelijks gebruik gemaakt van een achterwacht om de leerkracht waar nodig te ontlasten. Daarnaast is sprake van ernstige verstoringen voor haar medeleerlingen. [verzoekster] maakt dagelijks storende geluiden in de klas, op het schoolplein en in de gangen. Vanwege de signalen van overbelasting die [verzoekster] zelf afgeeft is de school van mening dat het voortzetten van de huidige situatie een negatief effect op haar welbevinden heeft en daarom niet in haar belang is. Het regulier onderwijs biedt niet het passende onderwijs waar zij recht op heeft. De deskundigen, waaronder die van het SWV, zijn het eens met de visie van school. De deskundige van SWV heeft daarom een TLV afgegeven voor het speciaal onderwijs.

4.1 Na de afgifte van de TLV heeft de school actief gezocht naar een passende onderwijsplek voor [verzoekster] . Er is contact opgenomen met zowel [speciaal onderwijs 2] als [speciaal onderwijs 3] . Beide scholen gaven aan dat er plaats is voor een leerling met een TLV. De ouders zijn nadrukkelijk en herhaaldelijk verzocht om [verzoekster] bij één van deze scholen aan te melden, zodat dit onderzoek in gang gezet kon worden. Omdat de ouders hieraan geen gehoor hebben gegeven, kon de aanmelding en het bijbehorende onderzoek niet starten. Hierdoor was een succesvolle overdracht of begeleiding naar een andere school feitelijk onmogelijk en zag de school zich genoodzaakt om [verzoekster] van de school te verwijderen.
Gronden van verzoekster
5. Volgens verzoekster heeft de school niet voldaan aan de wettelijke verplichting om eerst een andere passende school voor [verzoekster] te vinden. Indien niet voldaan is aan deze verplichting, kan niet overgegaan worden tot verwijdering. Het is onduidelijk of [speciaal onderwijs 2] kan voorzien in de onderwijsbehoefte van [verzoekster] en of er plek is. Ook staat in het bestreden besluit ten onrechte dat de ouders geen toestemming hebben verleend voor een dossieronderzoek door [speciaal onderwijs 2] . Aan de ouders is niet gevraagd om toestemming te verlenen voor het verstrekken van informatie door de school aan [speciaal onderwijs 2] . Tot slot heeft het niet volgen van onderwijs - zeker in dit laatste schooljaar - ingrijpende gevolgen voor [verzoekster] . Dit belang is onvoldoende meegewogen, mede vanwege de mogelijke alternatieven voor verwijdering.
Is de bestuursrechter bevoegd?
6. Tegen een beslissing van een openbare school die een uitoefening is van openbaar gezag, waarbij eenzijdig de rechtspositie van de leerling wordt bepaald, dient beroep ingesteld te worden bij de bestuursrechter. Dit is het geval bij verwijdering van een leerling. Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant verzorgt openbaar basisonderwijs, dus de bestuursrechter is bevoegd.
Toetsingskader
7. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij het nemen van een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol speelt. Verder dient deze beslissing het resultaat te zijn van een belangenafweging, waarbij moet worden bezien of uitvoering van het bestreden besluit voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belangen.
Spoedeisend belang
9. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Namens verzoekster is aangevoerd dat het schooljaar inmiddels is aangevangen en dat dit het laatste schooljaar van de basisschool is. Het niet volgen van onderwijs heeft grote gevolgen voor dit jaar, maar zeker ook voor volgend jaar wanneer [verzoekster] naar het voorgezet onderwijs zal gaan. De eindtoetsen worden afgenomen in december 2026, in begin 2027 volgt het schooladvies en in maart 2027 dient [verzoekster] zich aan te melden voor het vervolgonderwijs. Gelet hierop heeft [verzoekster] een spoedeisend belang bij het zo spoedig mogelijk kunnen volgen van onderwijs op de school.

9.1 Het college van bestuur heeft ter zitting verklaard het spoedeisend belang niet te betwisten. Gelet op de omstandigheden van het geval neemt de voorzieningenrechter dit spoedeisend belang aan.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
Voorwaarden voor verwijdering
10. In artikel 40, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (Wpo) is bepaald dat de beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. In het elfde lid van dit artikel is vervolgens bepaald dat definitieve verwijdering van een leerling niet plaatsvindt dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

10.1 Uit artikel 40, elfde lid, van de Wpo volgt dat een andere school de leerling ten tijde van de verwijdering nog niet hoeft te hebben ingeschreven, maar zich wel bereid moet hebben verklaard hem toe te laten. Achtergrond van de bepaling is te voorkomen dat een kind thuis komt te zitten en de ouders zelf op zoek moeten naar een andere school.

10.2 De school heeft na het afgeven van de TLV contact opgenomen met [speciaal onderwijs 2] . Er is aangeboden om met [verzoekster] op te school te gaan kijken. Ook is voorgesteld om de verbindingsofficier van het SWV in te schakelen om begeleiding te bieden bij de kennismaking met [speciaal onderwijs 2] . Er is daarnaast contact opgenomen met [speciaal onderwijs 3] . Uit de e-mail van 29 juni 2026 blijkt dat [speciaal onderwijs 2] heeft aangegeven dat er in groep 8 in principe plaats is voor een leerling met een TLV. Ook [speciaal onderwijs 3] heeft aangegeven dat ze denken dat [verzoekster] passend kan zijn bij hun school en dat ouders contact mogen opnemen voor een rondleiding en kennismaking.
11. Na de afgifte van de TLV heeft de school contact opgenomen met [speciaal onderwijs 2] . Hierbij is aangeboden om samen met [verzoekster] op de school te gaan kijken. Daarnaast is voorgesteld om de verbindingsofficier van het SWV in te schakelen voor begeleiding tijdens deze kennismaking. De school heeft ook contact gezocht met [speciaal onderwijs 3] . Beide scholen hebben vervolgens aangegeven dat er plaats is in groep 8 voor een leerling met een TLV.

11.1 Partijen zijn het erover eens dat nader onderzoek nodig was naar de passendheid van de aangeboden plek bij [speciaal onderwijs 2] (of [speciaal onderwijs 3] ). Uit het voornemen van de school blijkt dat de ouders hiervoor eerst zelf contact moesten opnemen met een van deze scholen om [verzoekster] aan te melden, een observatieafspraak te maken en toestemming te geven voor dossieronderzoek. De ouders hebben geen actie ondernomen om dit proces op te starten

11.2 De stelling van verzoekster dat de school om toestemming had moeten vragen om het dossier over te dragen aan [speciaal onderwijs 2] volgt niet uit de wet. Daarnaast blijkt uit het voornemen dat school de ouders wel degelijk heeft gevraagd om (aanmeld)informatie aan [speciaal onderwijs 2] te verstrekken. Dat de ouders hiertoe niet zijn overgegaan, ligt buiten de invloedssfeer van de school. Met het vinden van twee scholen die bereid waren om [verzoekster] toe te laten, heeft de school voldaan aan de zorgplicht en aan de voorwaarden voor verwijdering.
Belangenafweging
12. De bevoegdheid om een leerling op grond van artikel 40, elfde lid, van de Wpo te verwijderen is een discretionaire bevoegdheid van het college van bestuur. Daarom toetst de voorzieningenrechter een besluit tot verwijdering terughoudend. Dat betekent dat de voorzieningenrechter beoordeelt of het college van bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de school handelingsverlegen is en daarom tot verwijdering van [verzoekster] heeft kunnen besluiten.

12.1 De deskundigen van het SWV hebben onderzoek gedaan naar de ondersteuningsbehoefte van [verzoekster] en zijn het erover eens dat het regulier onderwijs niet (meer) geschikt is voor [verzoekster] . Daarbij is overwogen dat door de school veel ondersteuning is geboden aan [verzoekster] , maar dat er sprake blijft van verstorende incidenten. Het lukt [verzoekster] slecht om zelfstandig aan het werk te gaan en zij komt maar weinig toe aan leren. Vanwege het gebrek aan positieve leerervaringen zou het voortzetten van de huidige onderwijssetting een negatief effect hebben op haar welbevinden. Volgens de psycholoog van het SWV heeft [verzoekster] behoefte aan een onderwijssetting met veel voorspelbaarheid, duidelijke regels, consequente begrenzing en volwassen die rustig blijven en kunnen co-reguleren. Zij heeft korte individuele instructie nodig, meerdere contactmomenten per dag, ondersteuning bij leswisselingen, hulp bij taak initiatie en taak afronding en begeleiding bij het verdragen van leeruitdagingen. Ondanks de extra begeleiding die de school heeft geboden, blijft de leerkrachtafhankelijkheid groot, haakt [verzoekster] snel af en neemt zij maar beperkt deel aan het groepsaanbod voor de kernvakken. Gelet hierop komt de psycholoog tot de conclusie dat speciaal onderwijs beter aansluit bij wat [verzoekster] nodig heeft: kleinere en voorspelbare groepen, specialistische expertise op gedrag en executieve functies, meer structurele nabijheid, ruimte voor gericht oefenen met regulatie en voldoende cognitieve uitdaging om haar potentie beter te benutten. De orthopedagoog van het SWV onderschrijft de conclusie dat meer specialistische zorg en onderwijs is geïndiceerd voor [verzoekster] . Zij zal, ook gelet op het nadere voortgezet onderwijs, minder leerkrachtafhankelijk en meer zelfstandig moeten worden.

12.2 Met de stukken uit het dossier en de ter zitting gegeven toelichting heeft de school voldoende aannemelijk gemaakt dat zij (meer) niet het onderwijs kan bieden wat nodig is en dat de school handelingsverlegen is geraakt. Zo is geprobeerd om verschillende alternatieven in te zetten (thuisonderwijs, observatieplaats, zorgboerderij) en is voor [verzoekster] een aangepast onderwijsaanbod samengesteld waarbij er meer ruimte was voor ontladen. Ook zijn er verschillende interventies geprobeerd, die helaas telkens maar kortdurend effect hadden. Verder is voldoende toegelicht dat de alternatieven die de ouders zien om [verzoekster] op de school te kunnen behouden, onderzocht maar niet haalbaar zijn.

12.3 Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de wens van de ouders en [verzoekster] om het basisonderwijs op haar eigen school af te ronden, weegt het belang van het ontvangen van passend onderwijs zwaarder. De deskundigen van het SWV hebben immers geconcludeerd dat het speciaal onderwijs beter aansluit bij de onderwijs- en ondersteuningsbehoeften van [verzoekster] . De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan die conclusies te twijfelen. Ook het belang van de school, de leerkrachten en de klasgenoten van [verzoekster] om op een prettige en effectieve manier les te geven en te krijgen, speelt een rol bij de belangenafweging. Gelet op deze belangen en omstandigheden heeft het college van bestuur in redelijkheid kunnen besluiten om [verzoekster] van school te verwijderen.

Conclusie en gevolgen

13 De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 15 september 2026 en openbaar gemaakt middel geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.

griffier
voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet op het primair onderwijs

Artikel 40

1 De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating tot de school is niet afhankelijk van het houden van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. De toelating mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders.

2 De aanmelding van kinderen voor toelating geschiedt schriftelijk en kan worden gedaan vanaf de dag waarop het kind de leeftijd van 3 jaar bereikt. De ouders doen de aanmelding zo mogelijk ten minste 10 weken voor de datum waarop toelating wordt gevraagd en geven bij de aanmelding aan bij welke school of scholen eveneens om toelating is verzocht.

3 Het bevoegd gezag beoordeelt of de aanmelding een kind betreft dat extra ondersteuning behoeft. Hiertoe kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen betreffende stoornissen of handicaps van het kind of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.

4 Indien de toelating van een leerling die extra ondersteuning behoeft, wordt geweigerd, vindt de weigering niet plaats dan nadat het bevoegd gezag er, na overleg met de ouders en met inachtneming van de ondersteuningsbehoefte van de leerling en de schoolondersteuningsprofielen van de betrokken scholen, voor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

5 Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing:

a. indien op de school waar de leerling is aangemeld geen plaatsruimte beschikbaar is, of

b. indien het bevoegd gezag de ouders bij de aanmelding verzoekt te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs op de school zullen respecteren dan wel te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs op de school zullen onderschrijven, en de ouders dit weigeren te verklaren.

6 Het bevoegd gezag neemt de beslissing over toelating van een leerling zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 6 weken na ontvangst van de aanmelding. Indien de beslissing, bedoeld in de vorige volzin, niet binnen 6 weken kan worden gegeven, deelt het bevoegd gezag dit aan de ouders mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien, welke termijn ten hoogste 4 weken bedraagt.

7 Indien de aanmelding een kind betreft dat niet is ingeschreven op een andere school, een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, en de beslissing over de toelating is 10 weken na de dag waarop het verzoek om toelating is gedaan nog niet genomen, wordt het kind met ingang van de dag volgend op bedoelde 10 weken, doch niet eerder dan de datum waarop het kind de leeftijd heeft bereikt om te kunnen worden toegelaten tot de school, tijdelijk geplaatst op de school en als leerling ingeschreven. Indien de leerling wordt toegelaten, wordt de tijdelijke plaatsing omgezet in een definitieve plaatsing. Indien de toelating van de leerling wordt geweigerd of een beslissing wordt genomen de aanmelding niet te behandelen, wordt de tijdelijke plaatsing beëindigd en wordt de leerling uitgeschreven met ingang van de dag die volgt op de dag waarop de toelating wordt geweigerd of de beslissing wordt genomen de aanmelding niet te behandelen.

8 Een leerling wordt niet toegelaten tot een speciale school voor basisonderwijs dan nadat het samenwerkingsverband waartoe de speciale school voor basisonderwijs behoort de leerling toelaatbaar heeft verklaard tot het onderwijs aan een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband. De beslissing over de toelaatbaarheid is geen besluit als bedoeld in artikel 8:4 onder e van de Algemene wet bestuursrecht.

9 De toelating van een leerling van een basisschool tot een speciale school voor basisonderwijs van het samenwerkingsverband waaraan de basisschool deelneemt wordt niet geweigerd op denominatieve gronden, tenzij de ouders van de leerling weigeren te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs van de school zullen respecteren.

10 Tot een afdeling als bedoeld in artikel 85a kan uitsluitend worden toegelaten degene die:

a. een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit of mede een dergelijke nationaliteit bezit en van wie ten minste een van de ouders voor een bepaalde tijd in Nederland of het grensgebied van Nederland werkzaam is, dan wel

b. uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezit, langere tijd in het buitenland heeft doorgebracht doordat ten minste een van de ouders voor een bepaalde tijd in het buitenland werkzaam was en de leerling daar langer dan 2 jaar onderwijs heeft genoten volgens het daar geldende onderwijssysteem, dan wel

c. uitsluitend de Nederlandse nationaliteit bezit en waarvan blijkens een schriftelijke verklaring van de werkgever vaststaat dat ten minste een van de ouders binnen 2 jaar voor ten minste 2 jaar in het buitenland werkzaam zal zijn en de leerling mee verhuist naar het buitenland.

11 Voordat wordt besloten tot verwijdering hoort het bevoegd gezag de betrokken groepsleraar. Definitieve verwijdering van een leerling vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs of een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

12 Indien tegen het besluit, bedoeld in het eerste lid, van het bevoegd gezag van een openbare school bezwaar is gemaakt, besluit het bevoegd gezag in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht binnen 4 weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

Aangehaalde artikelen