Rb. Zeeland-West-Brabant 15 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8947

Eigen bijdrage voor gas, water en licht vanwege verblijf in de gemeentelijke opvang en beëindigen van leefgeld op grond van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne. Huwelijksvoorwaarden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4356
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, het college.

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 3 juli 2025 (bestreden besluit). Het bestreden besluit gaat over het opleggen van een eigen bijdrage aan [eiser 2] en [eiser 1] voor gas, water en licht vanwege hun verblijf in de gemeentelijke opvang en tegen het beëindigen van het leefgeld van [eiser 2] . Eisers zijn het hiermee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2 Met het besluit van 5 maart 2025 heeft het college per 1 januari 2025 aan eisers gezamenlijk een eigen bijdrage opgelegd (primair besluit I). Met het besluit van 21 mei 2025 heeft het college besloten om van [eiser 2] geen eigen bijdrage te vragen voor de maand januari 2025 (primair besluit II). Met het besluit van 27 mei 2025 heeft het college het leefgeld van [eiser 2] per 1 februari 2025 beëindigd (primair besluit III). Met het bestreden besluit heeft het college de eigen bijdragen van eisers en de beëindiging van het leefgeld van [eiser 2] in stand gelaten.

2.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2 De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en namens het college [vertegenwoordiger college] .

2.3 Na de zitting heeft de rechtbank de zaak aangehouden en heeft een schriftelijke uitwisseling van stukken plaatsgevonden. Hierna heeft de rechtbank het voornemen kenbaar gemaakt om het onderzoek te sluiten zonder tweede zitting. Na het uitblijven van reacties van partijen op dit voornemen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten

3 Eisers hebben tot 1 mei 2026 gewoond in de opvanglocatie aan [adres] (de opvanglocatie). [eiser 2] ontvangt sinds 20 april 2022 leefgeld van de gemeente. [eiser 1] heeft leefgeld ontvangen van 14 juni 2022 tot en met 31 januari 2023, maar dit is beëindigd vanwege inkomsten uit arbeid. Op 27 januari 2025 zijn eisers met elkaar getrouwd.

3.1 Op 9 december 2024 heeft het college een (standaard)brief verzonden aan [eiser 1] waarin staat dat hij per 1 januari 2025 een eigen bijdrage moet betalen van € 105,- per maand voor gas, water en licht. In de brief staat dat een definitieve beslissing volgt in december 2024. In de brief is de gelegenheid geboden om bewijsstukken aan te leveren om aan te tonen dat eisers over onvoldoende inkomen beschikken om de bijdrage te betalen.

3.2 Met primair besluit I heeft het college per 1 januari 2025 een eigen bijdrage opgelegd aan eisers samen ter hoogte van € 210,- per maand. [eiser 2] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Tijdens de hoorzitting is gebleken dat [eiser 2] vanaf februari 2025 ook geen leefgeld meer ontvangt, maar dat zij hierover nog geen besluit heeft ontvangen. Ook hiermee zijn zij het niet eens en maken zij bezwaar. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college vervolgens primair besluit II genomen waarin is besloten dat [eiser 2] over de periode januari 2025 geen eigen bijdrage van € 105,- hoeft de betalen omdat eisers aan het begin van die maand nog niet waren getrouwd. Met primair besluit III heeft het college de beëindigingsbeschikking genomen.
Bestreden besluit
4. Het college heeft het bezwaar tegen de drie primaire besluiten ongegrond verklaard. De eigen bijdrage en de beëindiging van het leefgeld van [eiser 2] per 1 februari 2025 heeft het college in stand gelaten. Eisers zijn als gevolg van hun huwelijk als meerderjarige gezinsleden aangemerkt. Hierdoor heeft [eiser 2] op grond van artikel 7 van de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO) geen recht meer op leefgeld. Het college heeft in de belangenafweging meer gewicht gegeven aan het belang van de juiste besteding van overheidsgeld. Het college heeft de eigen bijdrage van [eiser 1] per 1 januari 2025 ook gehandhaafd.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak zoals deze golden ten tijde van het bestreden besluit, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

5.1 Op grond van artikel 2, eerste lid, eerste volzin, van de RooO draagt het college zorg voor de opvang van ontheemden. De ontheemde is volgens artikel 2a van de RooO verplicht om onverwijld uit eigen beweging dan wel uiterlijk binnen twee weken nadat het college van burgemeester en wethouders daarom heeft verzocht mededeling te doen over zijn inkomsten en gezinssamenstelling. De ontheemde is tevens verplicht om in geval van verandering in inkomsten of gezinssamenstelling het college van burgemeester en wethouders daarvan onverwijld mededeling te doen.

5.2 Artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de RooO bepaalt dat de opvang in elk geval een maandelijkse financiële toelage omvat ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven, tenzij de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft.

5.3 Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de RooO trekt het college, met ingang van de eerstvolgende maand, de verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, geheel of ten dele in, indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid.

5.4 Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de RooO brengt het college met ingang van de eerstvolgende maand, een vergoeding in de kosten van de opvang van de meerderjarige ontheemde alsmede de opvang van diens meerderjarige gezinslid in rekening, indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid. Op grond van het tweede lid bedroeg de vergoeding in 2025 € 105,00 per maand per meerderjarige ontheemde en diens meerderjarige gezinslid tot een maximum van € 210,00.

5.5 Volgens artikel 1, aanhef en onder a, onder 1°, van de RooO worden onder gezinsleden verstaan echtgenoten of aan gehuwden gelijkgestelde partners.

5.6 Artikel 2b van de RooO bepaalt dat toepassing van de artikelen 7, tweede en vierde lid, 8 en 13, tweede lid, achterwege blijft als de ontheemde of een gezinslid daardoor onevenredig zwaar zou worden getroffen.
Omvang van het geschil
6. Eisers hebben toegelicht dat zij geen problemen hebben met de eigen bijdrage van [eiser 1] . Het beroep gaat daar dus niet over en de rechtbank zal de eigen bijdrage van [eiser 1] daarom niet beoordelen. Het beroep gaat wel over de eigen bijdrage van [eiser 2] en de beëindiging van haar leefgeld. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom bespreken voor zover dat gaat over de situatie van [eiser 2] .
Moest het college de huwelijksvoorwaarden meewegen?
7. Eisers stellen dat het college de notarieel vastgelegde huwelijksvoorwaarden had moeten meewegen. In de voorwaarden hebben eisers vastgelegd dat zij gescheiden vermogens hebben en ieder zijn eigen financiële verantwoordelijkheden te dragen heeft. Eisers hebben dus bewust gekozen voor een strikte scheiding van het vermogen in de notariële huwelijksvoorwaarden en zij zijn juridisch niet verantwoordelijk voor elkaar. Het is onredelijk van het college om deze voorwaarden terzijde te schuiven. Door dit niet mee te wegen in de situatie van [eiser 2] , heeft het college de RooO onjuist toegepast. Artikel 7 en 8 van de RooO bepalen dat het beëindigen van leefgeld en het opleggen van een eigen bijdrage mogelijk is bij inkomsten, maar niet is bepaald dat huwelijksvoorwaarden irrelevant zijn. Het college heeft hierdoor ook gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

7.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid het standpunt heeft in kunnen nemen dat de huwelijksvoorwaarden niet hoeven te worden meegewogen in de beslissing om een eigen bijdrage van [eiser 2] te vragen en om het leefgeld van [eiser 2] te beëindigen.
Omdat eisers met elkaar gehuwd zijn, vallen zij onder de definitie van gezinssleden in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, onder 1°, van de RooO. Eisers hebben dit niet betwist. Ook staat niet ter discussie dat [eiser 1] als gezinslid van [eiser 2] inkomsten uit arbeid in Nederland heeft. Daarom staat vast dat [eiser 2] valt onder het bereik van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de RooO én van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a van de RooO. Dat betekent dat op grond van deze artikelen een verstrekking wordt ingetrokken én een vergoeding in de kosten van opvang in rekening wordt gebracht. De huwelijksvoorwaarden maken dit niet anders.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat in de letterlijke tekst van de RooO geen regels zijn opgenomen over dat het college rekening moet houden met huwelijksvoorwaarden bij het bepalen of een meerderjarig gezinslid van een ontheemde inkomsten uit arbeid geniet. Ten tweede leest de rechtbank in de totstandkomingsgeschiedenis van de RooO ook geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat de minister zou hebben beoogd dat het college wél rekening moet houden met de huwelijksvoorwaarden die naar burgerlijk recht zijn overeengekomen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat het sluiten van huwelijksvoorwaarden onverlet laat dat echtgenoten op grond van artikel 81 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. In dit verband wijst de rechtbank op rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), de hoogste bestuursrechter in zaken over het sociale zekerheidsrecht. Ook voor verstrekkingen op grond van de RooO geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de wettelijke onderhoudsplicht prevaleert. De omstandigheid dat echtgenoten naar burgerlijk recht huwelijksvoorwaarden zijn overeengekomen, is dus niet relevant. Ten slotte overweegt de rechtbank dat uit de huwelijksvoorwaarden ook niet blijkt dat het de bedoeling van partijen zou zijn om gescheiden huishoudens te blijven voeren.
Heeft het college eisers tijdig geïnformeerd over de eigen bijdrage van [eiser 2] ?
8. Volgens eisers heeft het college in strijd gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel omdat zij onvoldoende tijd hebben gehad om zich voor te voorbereiden op de eigen bijdrage van [eiser 2] . De brief van 9 december 2024 over de eigen bijdrage is namelijk pas op 6 januari 2025 ontvangen. Anders dan het college stelt, hebben eisers vóór die brief geen informatie ontvangen over een aankomende eigen bijdrage. Eisers bestrijden dat de gemeente in 2024 folders zou hebben verspreid en bijeenkomsten heeft gehouden om hen te informeren. Ter onderbouwing verwijzen zij naar schermafbeeldingen van de officiële groepschat van de opvanglocatie. In de groepschat is geen melding gemaakt van een bijeenkomst. De vertegenwoordiger van het college heeft bovendien zelf verklaard dat hij niet kan bewijzen dat de informatie over de eigen bijdrage eisers ook echt heeft bereikt.

8.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eisers onvoldoende gelegenheid zouden hebben gehad om zich voor te bereiden op de eigen bijdrage en dus is niet gebleken dat het college in strijd zou hebben gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel of zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat met primair besluit I op 5 maart 2025 een eigen bijdrage is opgelegd aan [eiser 2] per 1 januari 2025. Met primair besluit II van 21 mei 2025 is de ingangsdatum van de eigen bijdrage van [eiser 2] gewijzigd naar 1 februari 2025. Beide besluiten zijn gericht aan eisers samen.
In de op 9 december 2024 gedateerde brief wordt [eiser 1] geïnformeerd over zijn eigen bijdrage vanaf 1 januari 2025. In deze brief staat dat als een gezin bestaat uit twee personen van 18 jaar of ouder en/of kinderen, dat het gezin dan maximaal € 210,- per maand betaalt. Verder wordt een termijn gegeven tot en met 27 december 2024 om een inkomstenverklaring af te geven. Een definitieve beschikking volgt later. Gelet op deze brief konden eisers naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs verwachten dat ook van [eiser 2] een eigen bijdrage zou worden gevraagd wanneer zij samen een gezin zouden (gaan) vormen. De omstandigheid dat eisers deze brief pas zouden hebben ontvangen op 6 januari 2025, maakt dat niet anders. Het staat immers vast dat eisers op 27 januari 2025 met elkaar zijn getrouwd. Ongeacht of eisers de brief van 9 december 2024 hebben ontvangen op 10 december 2024 of uiterlijk op 6 januari 2025, betekent dit dat eisers door te trouwen na ontvangst van de brief zelf het (mogelijke) gevolg van een gezamenlijke eigen bijdrage hebben aanvaard. Primaire besluiten I en II, met de opgelegde eigen bijdrage ook voor [eiser 2] , hadden zij daarom redelijkerwijs kunnen verwachten. Het betoog dat in 2024 geen eerdere informatie zou zijn verspreid maakt dit ook niet anders.
Heeft het college in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel?
9. Eisers vinden dat het college geen (volledige) belangenafweging heeft uitgevoerd omdat niet is gebleken dat de individuele belangen zijn meegewogen. Het college noemt alleen het belang van de juiste besteding van overheidsgeld. Hierdoor gaat het college eraan voorbij dat het volledig stopzetten van het leefgeld van [eiser 2] in combinatie met het vragen van een individuele bijdrage van [eiser 2] , haar in ernstige financiële problemen brengt. Eisers vinden het oneerlijk en onevenredig dat zij enerzijds als één huishouden worden beschouwd bij het opleggen van een eigen bijdrage, maar anderzijds pas sinds 1 februari 2026 samen in één kamer konden verblijven in de opvanglocatie.
Door geen volledige belangenafweging uit te voeren, heeft het college volgens eisers in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel.

9.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid het standpunt mocht innemen dat de eigen bijdrage en het beëindigen van het leefgeld van [eiser 2] geen onevenredige gevolgen voor eisers zal hebben en dus hoefde het college hiervan niet af te zien op grond van artikel 2b, van de RooO. Hoewel artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a en artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de RooO dwingend geformuleerd zijn, bevat artikel 2b, eerste lid, van de RooO een hardheidsclausule. Zoals de rechtbank onder 7.1 al heeft overwogen, hebben [eiser 2] en [eiser 1] een wederzijdse zorgplicht omdat zij met elkaar getrouwd zijn. Niet ter discussie staat dat [eiser 1] zijn eigen bijdrage voor zichzelf kan betalen. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat niet aannemelijk is dat eisers (gezamenlijk) in ernstige financiële problemen zullen gaan raken gelet op de hoogte van het inkomen van [eiser 1] en de hoogte van de individuele bijdrage. De rechtbank heeft geen reden om hier anders over te denken aangezien eisers niet met objectieve bewijsstukken hebben onderbouwd dat zij in ernstige financiële problemen zullen raken door het beëindigen van het leefgeld van [eiser 2] en het moeten betalen van de eigen bijdrage van € 210,- per maand.

Conclusie en gevolgen

10 De gronden van eisers slagen niet. Eisers krijgen dus geen gelijk en hun beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers ook het betaalde griffierecht niet terugkrijgen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 15 september 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Regeling opvang ontheemden Oekraïne (01-01-2025 – 30-09-2025)

Artikel 2b

Toepassing van de artikelen 7, tweede en vierde lid, 8 en 13, tweede lid, blijft achterwege als de ontheemde of een gezinslid daardoor onevenredig zwaar zou worden getroffen.

Artikel 6, eerste lid

De opvang omvat in elk geval de volgende verstrekkingen:

onderdak in opvangvoorzieningen die een toereikend huisvestingsniveau bieden;
een maandelijkse financiële toelage ten behoeve van voedsel, kleding en andere persoonlijke uitgaven, tenzij de ontheemde inkomsten uit arbeid heeft;
recreatieve en educatieve activiteiten;
een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid; en
betaling van buitengewone kosten.

Artikel 7, tweede lid

Het college van burgemeester en wethouders trekt, met ingang van de eerstvolgende maand, de verstrekkingen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, geheel of ten dele in, indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:

inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid;
een loondervingsuitkering of een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangt;
gedurende twee weken niet heeft voldaan aan verzoeken van het college van burgemeester en wethouders om informatie te verstrekken over zijn inkomsten en gezinssamenstelling, of
inkomsten verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van de verstrekkingen gebruik heeft gemaakt.

Artikel 8

1 Het college van burgemeester en wethouders brengt, met ingang van de eerstvolgende maand, een vergoeding in de kosten van de opvang van de meerderjarige ontheemde alsmede de opvang van diens meerderjarige gezinslid in rekening, indien de meerderjarige ontheemde of een meerderjarig gezinslid:

a. inkomsten uit arbeid in Nederland of in een ander land heeft en zulks blijkt uit de door de ontheemde opgegeven of van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ontvangen informatie over zijn inkomsten uit arbeid;

b. een loondervingsuitkering of een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangt;

c. gedurende twee weken niet heeft voldaan aan verzoeken van het college van burgemeester en wethouders om informatie te verstrekken over zijn inkomsten en gezinssamenstelling, of

d. inkomsten verborgen heeft gehouden en daardoor ten onrechte van de verstrekkingen gebruik heeft gemaakt.

2 De vergoeding bedraagt € 105,00 per maand per meerderjarige ontheemde en diens meerderjarige gezinslid tot een maximum van € 210,00.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken