Rb. Zeeland-West-Brabant 6 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8946

Wettelijke rente over ten onrechte geheven griffierecht | Schadevergoeding.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: 25/554, 25/555, 25/557, 25/558, 25/559, 25/1914, 25/1916, 25/1917, 25/1919, 25,1920, 25/1921, 25/1922, 25/1923, 25/2315 en 25/2316 OWHAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaken tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. T. Segers),
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1 In deze uitspraak beslist de rechtbank op het verzoek van eiseres om toepassing te geven aan artikel 8:41, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de griffier te gelasten de door het onterecht geheven griffierecht ontstane schade te vergoeden.

1.1 De rechtbank wijst het verzoek van eiseres toe en gelast de Staat het renteverlies ter zake van het ten onrechte geheven griffierecht als geleden schade te vergoeden.

Beoordeling door de rechtbank

2 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de oplegging van meerdere lasten onder dwangsom, die strekken tot het staken en gestaakt houden alsmede het voorkomen van (herhaling van) overtreding van de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet, bestaande uit het ten onrechte goedkeuren van asbestsaneringslocaties.

2.1 Met de beslissingen op bezwaar zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

2.2 Eiseres heeft beroep ingediend tegen zestien beslissingen op bezwaar. Deze beroepen zijn aanhangig gemaakt middels beroepschriften van 20 januari 2025 ( 25/554, 25/555, 25/557, 25/558, 25/559), van 28 februari 2025 (25/1914, 25/1916, 25/1917, 25/1919, 25,1920, 25/1921, 25/1922, 25/1923) en van 11 april 2025 (25/2315 en 25/2316). Ten aanzien van al deze vijftien zaken is door de griffier per zaak griffierecht ad € 385,- (totaal: € 5.775,-) geheven.

2.3 De griffier heeft aan eiseres medegedeeld dat tussen de beroepen geen sprake is van samenhang in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Daarom is vijftienmaal griffierecht verschuldigd. Eiseres heeft ook beroep ingesteld tegen een besluit genomen door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heusden. Dit beroep heeft het zaaknummer 25/1915 gekregen en is doorgezonden naar de rechtbank Oost-Brabant, om daar verder in behandeling te worden genomen. Voor deze zaak is geen griffierecht geheven door deze rechtbank. Het verschuldigde griffierecht is op 19 februari 2025, 16 april 2025 en 9 mei 2025 door de rechtbank ontvangen.

2.4 Later is gebleken dat toch sprake is van samenhangende besluiten, waartegen één beroepschrift kon worden ingediend. Dit betekent dat op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb slechts eenmaal griffierecht per apart ingediend beroepsschrift verschuldigd was. In casu was dus driemaal griffierecht ad € 385,- (totaal: € 1.155,-) verschuldigd.

2.5 Op 17 juli 2025 is het ten onrechte betaalde griffierecht teruggeboekt door de griffier, behalve in de zaken 25/554, 25/1914 en 25/2315, waarin eiseres wel griffierecht verschuldigd is. Eiseres verzoekt de griffier te gelasten de door het onterecht geheven griffierecht ontstane schade te vergoeden conform de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 8 juli 2022.
Ontstane schade
3. Op grond van artikel 8:41 van de Awb heft de griffier een griffierecht van de indiener van het beroepschrift. In beginsel is het beroep niet-ontvankelijk indien het door de griffier geheven griffierecht niet tijdig is betaald. Ook de hoogte van dat griffierecht is wettelijk vastgelegd. In het geval dat de griffier te veel griffierecht heeft geheven, staat daarmee vast dat de Staat in strijd met deze wettelijke regeling en dus onrechtmatig heeft gehandeld. De Staat is gehouden om het ten onrechte geheven griffierecht als geleden schade te vergoeden. Een behoorlijke rechtspleging brengt mee dat als de griffier constateert dat te veel griffierecht is geheven, hij uit eigen beweging overgaat tot vergoeding van die schade. Voor zover de griffier dat nog niet heeft gedaan, dient de bestuursrechter, als hij in een uitspraak vaststelt dat te veel griffierecht is geheven, de griffier te gelasten hiertoe over te gaan. Zoals hiervoor onder 2.5 is overwogen, heeft de griffier voor zover nodig het griffierecht reeds teruggestort.

3.1 De Staat is eveneens gehouden om het renteverlies ter zake van het ten onrechte geheven griffierecht als geleden schade te vergoeden, indien de belanghebbende daarom verzoekt. Dient de belanghebbende het verzoek in voordat de bestuursrechter de uitspraak doet waarin hij vaststelt dat te veel griffierecht is geheven, dan moet de bestuursrechter in die uitspraak de griffier gelasten om naast dat griffierecht ook het renteverlies ter zake daarvan te vergoeden, voor zover de griffier dat nog niet heeft gedaan. Dat renteverlies moet worden berekend met toepassing van de regeling van de wettelijke rente (artikel 6:119, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW)) over de periode vanaf de dag van betaling van het griffierecht tot de dag van het vergoeden daarvan door de griffier.

3.2 In deze zaak staat vast dat de griffier van de rechtbank twaalf keer ten onrechte griffierecht heeft geheven. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vergoeding van het renteverlies ter zake van het ten onrechte geheven griffierecht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gelast de rechtbank de griffier tot vergoeding van wettelijke rente op de voet van artikel 6:119, eerste en tweede lid, van het BW over het ten onrechte geheven griffierecht. In zoverre slaagt het verzoek.

3.3 Gelet op het voorgaande bepaalt de rechtbank dat vergoeding van de wettelijke rente over het ten onrechte betaalde griffierecht aan eiseres wordt toegekend. De wettelijke rente die de griffier verschuldigd is, wordt vergoed vanaf de datum van ontvangst van het ten onrechte betaalde griffierecht tot de dag van terugstorting van het ten onrechte verschuldigde griffierecht. In die periode leed eiseres renteverlies over het betaalde griffierecht, omdat eiseres toen niet zelf over het ten onrechte verschuldigde bedrag kon beschikken.

3.4 Voor de beroepen die middels het beroepsschrift van 20 januari 2025 (25/254, 25/555, 25/557, 25/558 en 25/559) zijn ingediend, geldt dat op 19 februari 2025 in totaal ten onrechte viermaal griffierecht (totaal: € 1.540,-) is geheven. De wettelijke rente bedraag 6% per jaar. Het griffierecht is in de periode van 19 februari 2025 tot en met 17 juli 2025 ten onrechte geheven geweest. Het schadebedrag (renteverlies) komt uit op € 37,72.

3.5 Verder geldt voor de beroepen die middels het beroepsschrift van 28 februari 2025 (25/1914, 25/1916, 25/1917, 25/1919, 25,1920, 25/1921, 25/1922, 25/1923) zijn ingediend, dat op 16 april 2025 in totaal ten onrechte zevenmaal griffierecht (totaal: € 2.695,-) is geheven. De wettelijke rente bedraagt 6% per jaar. Het griffierecht is in de periode van 16 april 2025 tot en met 17 juli 2025 ten onrechte geheven geweest. Het schadebedrag (renteverlies) komt uit op € 41,20.

3.6 Ten slotte geldt voor de beroepen die middels het beroepsschrift van 11 april 2025 (25/2315 en 25/2316) zijn ingediend, dat op 9 mei 2025 in totaal ten onrechte eenmaal griffierecht (totaal: € 385,-) is geheven. De wettelijke rente bedraag 6% per jaar. Het griffierecht is in de periode van 9 mei 2025 tot en met 17 juli 2025 ten onrechte geheven geweest. Het schadebedrag (renteverlies) komt uit op € 4,43.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van eiseres toe en gelast de Staat het renteverlies ter zake van het ten onrechte geheven griffierecht als geleden schade te vergoeden;
bepaalt dat de wettelijke rente die de griffier verschuldigd is, wordt vergoed vanaf de datum van ontvangst van het ten onrechte betaalde griffierecht tot de dag van terugbetaling van het griffierecht;
stelt het renteverlies voor de zaken met dossiernummers 25/555, 25/557, 25/558, 25/559 vast op een bedrag van € 37,72;
stelt het renteverlies voor de zaken met dossiernummers 25/1916, 25/1917, 25/1919, 25,1920, 25/1921, 25/1922, 25/1923 vast op een bedrag van € 41,20;
stelt het renteverlies voor de zaak met het dossiernummer 25/2316 vast op een bedrag van € 4,43;
stelt het totaal door de Staat te vergoeden renteverlies vast op een bedrag van € 83,35.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr.S.C.J.J. van Roij, griffier op 6 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Besluit vaststelling wettelijke rente

Artikel 1

De wettelijke rente als bedoeld in artikel 119 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, wordt vastgesteld op zes procent per jaar.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken