Rb. Zeeland-West-Brabant 16 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7760

PGJ

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/449418 / JE RK 26-1067 (regulier)
C/02/ 450455 JE RK 26-1281 (spoed)
C/02/450459 /JE RK 26-1283 (nieuw regulier verzoek)
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. R. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. W. van der Sande te Goes.

1 Het verloop van de procedure

1.1 De kinderrechter heeft ontvangen:
In zaaknummer C/02/449418 / JE RK 26-1067:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 18 juni 2026.
In zaaknummer C/02/450455 JE RK 26-1281:
het mondelinge verzoek van de GI op de zitting van 16 juli 2026;
de telefonische mondelinge instemming van een onafhankelijke gedragswetenschapper;
de schriftelijke weergave van het mondelinge verzoek van de GI, ontvangen op 17 juli 2026 met bijlagen, waarbij eveneens is overgelegd de schriftelijk instemmingsverklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper.

1.2 Na de mondelinge behandeling is nog ingekomen, in zaaknummer C/02/450459 /JE RK 26-1283:
- een nieuw regulier verzoekschrift van de GI, ingekomen op 17 juli 2026.

1.3 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] (via en telefonische verbinding) met haar advocaat (vooraf ook apart gehoord);
de vader met zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI.

1.4 Tijdens de zitting zijn behandeld: het verzoekschrift inzake zaaknummer C/02/449418 / JE RK 26-1067 en het mondelinge verzoek inzake zaaknummer C/02/450455 JE RK 26-1281.

2 De feiten

2.1 De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2 Bij beschikking van 21 april 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, te weten met ingang van 21 april 2026 en tot 21 april 2027. Ook is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleent met ingang van 21 april 2026 en tot 21 oktober 2026.

2.3 [minderjarige] verblijft op basis van die beschikking formeel in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [accommodatie] ). Feitelijk verblijft zij evenwel reeds ruim vijf weken elders, op een onbekende plek.

3 Het verzoek

In zaaknummer C/02/449418 / JE RK 26-1067:

3.1 De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier maanden.
In zaaknummer C/02/ 450455 JE RK 26-1281:

3.2 Ter zitting heeft de GI mondeling verzocht om [minderjarige] met spoed uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken.
In zaaknummer C/02/450459 /JE RK 26-1283

3.3 De GI verzoekt daarnaast thans om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.

4 De standpunten

4.1 In haar gesprek met de kinderrechter heeft [minderjarige] aangegeven dat zij niet terug gaat naar [accommodatie] . [minderjarige] geeft aan dat ze daar mishandeld wordt door de begeleiding van [accommodatie] en dat ze daarom is weggelopen. Een andere groep of een gesloten plaatsing vindt [minderjarige] geen goed idee. Ze kent kinderen die op andere plekken hebben gezeten en gesloten geplaatst zijn en zij werden daar ook mishandeld. Bovendien zijn de kinderen die gesloten geplaatst werden slechter uit die instelling gekomen dan dat ze er in gingen. [minderjarige] geeft aan dat ze nu veilig is. Ze zit bij haar vriend. Ze wil niet zeggen hoe oud hij is, maar geeft desgevraagd aan dat hij ongeveer net zo oud is als zij, minderjarig. Ze wil ook niet zeggen waar ze is, maar geeft desgevraagd aan dat het wel in Nederland is. Ze heeft niet met de onafhankelijke gedragswetenschapper gesproken en wil dat ook niet. Ze kan appjes, smsjes of gemiste oproepen van de gedragswetenschapper niet terugvinden. Ze geeft aan dat ze ook steeds wordt lastig gevallen door allerlei hulpverleners en dat ze dan telefoonnummers blokkeert en berichten verwijdert.

4.2 De GI geeft aan dat er grote zorgen zijn om [minderjarige] . In eerste instantie had de GI een spoedverzoek willen doen, maar toen leken er toch nog mogelijkheden om met [minderjarige] in gesprek te gaan. Dat gesprek werd vanuit [minderjarige] echter steeds opgeschoven en kwam er uiteindelijk niet. De zorgen om [minderjarige] zijn de afgelopen periode eigenlijk alleen maar toegenomen. [minderjarige] is inmiddels volledig van de radar verdwenen. Zij is al vijf weken niet meer op [accommodatie] geweest. Ze heeft wel af en toe contact met haar moeder, maar geeft ook haar geen informatie. Ook heeft ze af en toe contact met begeleiders van de [accommodatie] , maar zij voert daarop de regie. [minderjarige] accepteert geen gezag. [minderjarige] geeft geen openheid van zaken over waar ze is, wat ze doet en met wie. Ze geeft niet aan hoe haar vriend heet of in welke plaats ze verblijft. [minderjarige] is meerdere malen benaderd om in gesprek te gaan met de gedragswetenschapper. Ze is boos op de jeugdbeschermer geworden, omdat deze haar telefoonnummer aan de gedragswetenschapper heeft gegeven. Als het reguliere verzoek niet kan worden toegewezen, verzoekt de GI een spoedmachtiging te verlenen.

4.3 De moeder stemt in met de verzoeken van de GI. De moeder maakt zich grote zorgen over [minderjarige] en haar veiligheid. Zij is blij dat [minderjarige] af en toe telefonisch contact met haar opneemt, maar ze maakt zich grote zorgen over waar [minderjarige] is, met wie en wat ze doet.

4.4 Namens en door de vader wordt ingestemd met de verzoeken van de GI. De vader maakt zich enorm zorgen over [minderjarige] en haar veiligheid. Ook de vele boetes van de NS op naam van [minderjarige] , die maar blijven binnen stromen bij de ouders, baren de vader zorgen. De vader wil dat er zo spoedig mogelijk wordt ingegrepen, zodat [minderjarige] kan worden opgespoord.

4.5 De advocaat van [minderjarige] verzoekt het reguliere verzoek van de GI af te wijzen, omdat er geen instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper is die [minderjarige] heeft onderzocht. Deze is voor een regulier verzoek wel nodig. Ten aanzien van de verzochte spoedmachtiging is de advocaat eveneens van mening dat dit afgewezen moet worden. De zitting is niet de tijd of de plaats voor zo’n verzoek. Bovendien is er geen sprake van spoed aangezien de situatie al weken lang zo is.

5 De beoordeling

In zaaknummer C/02/449418 / JE RK 26-1067:

5.1 De kinderrechter overweegt als volgt. Het verzoek van de GI om een reguliere machtiging te verlenen om [minderjarige] te doen opnemen en verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor een periode van vier maanden is gebaseerd op artikel 6.1.2. van de Jeugdwet, maar voldoet niet aan de vereisten die de wet aan een dergelijk verzoek stelt. Op grond van lid 5 van dit artikel is voor het verlenen van zo’n machtiging immers de instemming vereist van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. De GI heeft in dit dossier weliswaar een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper overgelegd die instemt met de verzochte machtiging, maar uit deze verklaring blijkt dat [minderjarige] niet door de gedragswetenschapper is onderzocht, omdat [minderjarige] zich aan dit onderzoek en ieder gesprek met de gedragswetenschapper onttrokken heeft.

5.2 Nu voornoemd verzoek van de GI, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet aan de wettelijke vereisten voldoet, zal de kinderrechter het verzoek van de GI om een reguliere machtiging te verlenen om [minderjarige] te doen opnemen en verblijven in een gesloten accommodatie, reeds op die grond afwijzen en komt de kinderrechter aan een verdere beoordeling van dat verzoek niet toe.
Spoedverzoek
In zaaknummer C/02/ 450455 JE RK 26-1281:

5.3 De kinderrechter overweegt als volgt. Het verzoek van de GI om een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en verblijven voor de duur van vier weken, zal worden toegewezen voor de duur van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel van het spoedverzoek. De kinderrechter licht dit als volgt toe.

5.4 Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp aan [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp noodzakelijk is. Op basis van de stukken en hetgeen daarover is gezegd, bestaat een ernstig vermoeden dat er bij [minderjarige] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die haat ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen, alle minder ingrijpende mogelijkheden zijn tot nu toe ontoereikend gebleken.

5.5 [minderjarige] onttrekt zich volledig aan het zicht van de GI, [accommodatie] en haar ouders, alsook aan iedere vorm van hulpverlening en gezag. Zij gaat niet naar school, heeft geen dagbesteding verblijft inmiddels ruim vijf weken op een onbekende locatie bij een onbekend persoon. De kinderrechter kan op basis van de telefonische verklaring van [minderjarige] niet vaststellen dat [minderjarige] zich op dit moment, zoals zij zelf zegt, in een veilige situatie bevindt. [minderjarige] geeft duidelijk aan niet terug te gaan naar [accommodatie] , noch naar een andere groep. Zij zegt dat zij bij haar vriend zit en daar wil blijven. Zij wil de leeftijd van deze vriend niet kenbaar maken. Op doorvragen geeft ze aan dat deze vriend ongeveer net zo oud als zij, in ieder geval minderjarig, is en dat zijn ouders voor hem een appartement hebben gekocht, waar zij nu ook verblijft. Zij geeft aan dat er geen toezicht is en dat zij niet bereid is om iemand langs te laten komen om te beoordelen of zij zich daadwerkelijk op een goede plek en in een veilige situatie bevindt. De GI en de ouders van [minderjarige] hebben twijfels over de minderjarigheid van deze vriend. De GI en de ouders maken zich zorgen omdat [minderjarige] is gezien met oudere mannen. De GI heeft voorts aangegeven dat er zorgen zijn om middelengebruik door [minderjarige] . [minderjarige] is door een pedagogisch medewerker gezien toen zij onder invloed was. Ook na een eerdere vermissing is [minderjarige] onder invloed teruggekomen. Ook zeggen de ouders een stroom aan NS-boetes te hebben ontvangen, waaruit blijkt dat [minderjarige] zwart het hele land door reist. Het is onbekend waar [minderjarige] allemaal heen reist, en met wie en met welk doel. De zorgen hierover zijn groot. Temeer omdat [minderjarige] hierover ook geen enkele openheid geeft. [minderjarige] heeft aangegeven geen berichten van de gedragswetenschapper te hebben ontvangen, althans deze niet terug te kunnen vinden. Daarnaast geeft ze aan dat ze overvraagd wordt en alle hulpverleners belastend vindt en daardoor telefoonnummers blokkeert en berichten wist.

5.6 De kinderrechter vindt de huidige situatie van [minderjarige] erg zorgelijk. [minderjarige] geeft aan dat ze rust nodig heeft en bij haar vriend wil blijven, maar zij wil verder geen informatie over of inzicht in deze plek geven. [minderjarige] lijkt niet te begrijpen dat de zorgen over haar, juist doordat zij geen informatie geeft, niet terug naar [accommodatie] gaat en enkel beperkt telefonisch contact met de moeder en [accommodatie] heeft wanneer zij dat zelf wil en kan, alleen maar toenemen. [minderjarige] is pas 14 jaar oud. Een 14-jarige kan niet zelf bepalen waar en wanneer en met wie zij verblijft. [minderjarige] onttrekt zich door dit gedrag aan het gezag van haar ouders en de GI en aan de benodigde jeugdhulp. Zij is al weken vermist. Dat deze situatie al enige tijd duurt betekent naar het oordeel van de kinderrechter niet dat er geen sprake is van spoed. De zorgen omtrent de veiligheid van [minderjarige] zijn zeer groot en zeer ernstig. Nu de ouders, de GI en [accommodatie] geen enkel zicht op [minderjarige] hebben en [minderjarige] ook niet van plan lijkt te zijn om deze personen zicht op haar situatie te geven, is de kinderrechter van oordeel dat er wel degelijk sprake is van spoed en dat afgifte van een reguliere machtiging niet kan worden afgewacht.

5.7 Een verzoek op grond van artikel 6.1.3. van de Jeugdwet behoeft op grond van lid 3 van dat artikel instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort heeft onderzocht, tenzij dit onderzoek feitelijk onmogelijk is. De kinderrechter vindt het voldoende aannemelijk dat onderzoek van [minderjarige] door een gedragswetenschapper op dit moment feitelijk onmogelijk is. [minderjarige] verblijft immers op een onbekende plek en weigert tot nu toe ieder contact met een gedragswetenschapper. De gekwalificeerde gedragswetenschapper die het dossier van [minderjarige] heeft bestudeerd en reeds had ingestemd met een reguliere machtiging voor gesloten jeugdhulp heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij instemt met het spoedverzoek. Het is uiteraard wel noodzakelijk dat [minderjarige] wel alsnog zo snel mogelijk wordt onderzocht door een gedragswetenschapper. De kinderrechter verzoekt de GI dan ook om de verklaring van de gedragswetenschapper gebaseerd op dat onderzoek zo spoedig mogelijk alsnog bij de rechtbank in te dienen en naar de belanghebbenden te sturen.

5.8 De kinderrechter zal het spoedverzoek toewijzen voor een periode van twee weken, onder aanhouding van het resterende deel, zodat [minderjarige] en haar advocaat, alsmede de ouders als belanghebbenden, over het resterende deel van het verzoek nader kunnen worden gehoord alvorens daarop wordt beslist.
In zaaknummer C/02/450459 /JE RK 26-1283:

5.9 De GI heeft bij de schriftelijke bevestiging van het spoedverzoek een nieuw regulier verzoek ingediend. De kinderrechter zal de behandeling van het nieuwe reguliere verzoek van de GI aanhouden tot de hieronder genoemde zittingsdatum. De kinderrechter wijst de GI erop dat voor de behandeling van dit reguliere verzoek een instemmingsverklaring van een onafhankelijke gedragswetenschapper nodig is, die de jeugdige heeft onderzocht. De kinderrechter verwacht van de GI dat een dergelijke verklaring tijdig voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank zal worden toegestuurd.

6 De beslissing

De kinderrechter:

In zaaknummer C/02/449418 / JE RK 26-1067:

6.1 wijst het verzoek van de GI af;
In zaaknummer C/02/ 450455 JE RK 26-1281:

6.2 verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 16 juli 2026 en tot 30 juli 2026;

6.3 houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept [minderjarige] , de advocaat van [minderjarige] , de GI, de moeder en de (advocaat van de) vader op te verschijnen tijdens de zitting van mr. De Beer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, in het gerechtsgebouw aan Kousteensedijk 2 te Middelburg, op [datum] 2026 te [uur 1], teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;

6.4 bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor [minderjarige] , haar advocaat, de GI, de (advocaat van de) vader en de moeder voor de zitting op [datum] 2026 te [uur 1];
In zaaknummer C/02/450459 /JE RK 26-1283:

6.5 bepaalt dat zaaknummer C/02/450459 /JE RK 26-1283 gelijktijdig met zaaknummer C/02/ 450455 JE RK 26-1281 wordt behandeld en dat deze beschikking ook geldt als oproep voor de zitting van [datum] om [uur 1] in zaaknummer C/02/450459 /JE RK 26-1283.

6.6 bepaalt dat de GI uiterlijk op [datum] 2026 om [uur 2] de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper bij de rechtbank moet indienen en naar de belanghebbenden sturen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. Hendriks, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen