Rb. Zeeland-West-Brabant 14 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7710

Machtiging tot uithuisplaatsing accommodatie jeugdhulpaanbieder + vw PGJ.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/449931 / JE RK 26-1168
Datum uitspraak: 14 juli 2026
Beschikking machtiging tot uithuisplaatsing en voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats], Polen,
hierna te noemen [minderjarige],
advocaat mr. N. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1 De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juli 2026;
de instemmingsverklaring van de onafhankelijk gedragswetenschapper van 13 juli 2026.

1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige], die ook voorafgaand aan de mondelinge behandeling apart is gehoord, bijgestaan door mr. R.S. Vriend, kantoorgenoot van mr. Wouters;
- de moeder,
- twee vertegenwoordigsters van de GI;
- een Poolse tolk (via een telefonische verbinding).

1.3 Hoewel correct opgeroepen, is de vader niet verschenen.

2 De feiten

2.1 De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2 Bij beschikking van 15 januari 2026 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te
doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de
duur van twee weken, met ingang van 15 januari 2026 en tot 29 januari 2026, zonder
voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is
aangehouden.

2.3 Bij beschikking van 26 januari 2026 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen
opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang
van 26 januari 2026 en tot 26 april 2026. Het resterende deel van het (spoed)verzoek is
afgewezen.

2.4 Bij beschikking van 24 april 2026 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 april 2026 tot 24 april 2027. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend met ingang van 24 april 2026 tot 24 juli 2026.

2.5 [minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij [accommodatie].

3 Het verzoek

3.1 De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten 24 april 2027.

3.2 Ook verzoekt de GI een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.

4 De standpunten

4.1 De GI handhaaft het verzoek om een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden en een machtiging uithuisplaatsing tot het einde van de ondertoezichtstelling. De GI ziet dat [minderjarige] de afgelopen maanden een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Hij heeft zich ingezet, houdt zich aan afspraken, heeft stappen gezet in zijn behandeling en is klaar voor een overstap naar een meer open setting. De GI vindt het echter belangrijk dat deze stap wordt gezet met een vangnet om [minderjarige] heen omdat zijn ontwikkeling nog kwetsbaar is. Daarnaast blijft systemische hulp nodig om het contact binnen het gezin te herstellen en de terugkeer naar huis zorgvuldig op te bouwen. De GI zal zich ook inzetten om de vader bij deze hulpverlening en opbouw van het contact met [minderjarige] te betrekken.

4.2 [minderjarige] geeft in het gesprek met de kinderrechter aan dat hij achter het verzoek van de GI staat. Hij geeft aan dat het de afgelopen periode goed met hem is gegaan en dat hij veel heeft geleerd bij [accommodatie]. Hij wil de overstap maken naar de [open groep] en ziet dit als een passende volgende stap. [minderjarige] begrijpt dat deze ontwikkeling nog pril is en dat de voorwaardelijke machtiging nodig is als steun en vangnet om de ingezette positieve lijn vast te houden. Hij stemt in met de voorwaarden en is bereid zich hieraan te houden. Het contact met zijn moeder is verbeterd en zij zijn beter met elkaar in gesprek. Een terugkeer naar huis vindt [minderjarige] op dit moment nog te vroeg. Hij wil dit rustig en stapsgewijs opbouwen. Het contact met zijn vader loopt op dit moment niet. Zijn vader bezoekt hem niet in [accommodatie] en komt ook niet naar de zitting.

4.3 De advocaat van [minderjarige] ziet positieve ontwikkelingen bij [minderjarige]. De diagnose ADHD en ASS geeft meer duidelijkheid en biedt mogelijkheden om passende hulp in te zetten. [minderjarige] heeft laten zien dat hij zijn verantwoordelijkheid neemt en zich aan afspraken kan houden. De advocaat vindt het belangrijk dat [minderjarige] deze positieve ontwikkeling voortzet en dat hij zelf gemotiveerd blijft. [minderjarige] begrijpt dat de situatie nog kwetsbaar is en dat een voorwaardelijke machtiging noodzakelijk is als ondersteuning. De advocaat verklaart dat [minderjarige] daarom instemt met de verzoeken van de GI.

4.4 De moeder geeft tijdens de zitting aan dat zij het liefst zou zien dat [minderjarige] weer bij haar thuis komt wonen, maar zij begrijpt dat dit zorgvuldig moet worden opgebouwd. Zij ziet dat [minderjarige] positieve veranderingen heeft laten zien en vindt het belangrijk dat het contact tussen hen verder wordt hersteld. De moeder stemt in met de verzoeken van de GI en wil meewerken aan de ingezette hulpverlening. Zij spreekt wel haar zorgen uit over de betrokkenheid van de vader en wil voorkomen dat de hulpverlening wordt belemmerd doordat de vader niet meewerkt. De moeder staat open voor systemische hulp en hoopt dat hiermee het hele gezin kan worden ondersteund.

5 De beoordeling

Wettelijk kader

5.1 Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2 Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.4, eerste lid, Jeugdwet kan een voorwaardelijke machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken en kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden.

5.3 Voorts bepaalt artikel 6.1.4, vijfde lid, Jw dat de kinderrechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien een hulpverleningsplan wordt overgelegd dat voldoet aan de daaraan op grond van artikel 6.1.4, zesde lid, Jw te stellen eisen.

De beoordeling

5.4 Ten aanzien van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] overweegt de kinderrechter dat een verblijf in een open setting zoals de [open groep] op dit moment passend en noodzakelijk is. Deze setting biedt [minderjarige] de mogelijkheid om te oefenen met meer zelfstandigheid terwijl er nog voldoende structuur, toezicht en begeleiding aanwezig is. Vanuit deze setting kan op verantwoorde wijze worden gewerkt aan zijn verdere ontwikkeling en kan het contact met de moeder en de vader gefaseerd worden uitgebreid. De kinderrechter acht de machtiging uithuisplaatsing in een open groep dan ook noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige].

5.5 Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter ten aanzien van het verzoek van de GI tot een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp ook van oordeel dat dit dient te worden toegewezen nu wordt voldaan aan de wettelijke criteria zoals hiervoor vermeld. Daarbij overweegt de kinderrechter als volgt.

5.6 De kinderrechter ziet dat [minderjarige] sinds zijn plaatsing bij [accommodatie] positieve stappen heeft gezet en gemotiveerd is om zich verder te ontwikkelen. [minderjarige] profiteert zichtbaar van de behandeling en begeleiding en laat een stijgende lijn zien in zijn functioneren. Tegelijkertijd zijn er nog voldoende zorgen en risicofactoren aanwezig die maken dat bescherming en toezicht noodzakelijk blijven. Er bestaan nog steeds risico’s op onder andere middelengebruik, onttrekking aan hulpverlening en het opnieuw terechtkomen in onveilige situaties.

5.7 De kinderrechter constateert daarom dat het in het belang van [minderjarige] is dat er duidelijke regels en afspraken voor hem gelden. De voorwaardelijke machtiging is dan ook nodig, zodat hij weet aan welke afspraken hij zich moet houden en hij ook weet welke gevolgen het heeft als hij zich niet aan die afspraken houdt. De voorwaardelijke machtiging dient dan ook als noodzakelijk vangnet om zijn gedrag tijdig bij te kunnen sturen op momenten dat het moeilijk wordt voor [minderjarige] en het even minder gaat. Het staat vast dat er geen minder ingrijpende maatregel beschikbaar is.

5.8 Tijdens de zitting heeft [minderjarige] verteld dat hij de voorwaarden begrijpt en dat hij bereid is de in te zetten jeugdhulp te accepteren en zich aan de opgestelde voorwaarden te gaan houden. Ook de ouders zijn (schriftelijk) akkoord met de aan de voorwaardelijke machtiging gekoppelde voorwaarden. Deze voorwaarden luiden als volgt:
[minderjarige] maakt duidelijke afspraken met de groep over zijn activiteiten buitenshuis en met wie hij omgaat. Hij houdt zich aan de 4 W's: hij laat weten met wie hij is, wat hij doet, waar hij is en wanneer hij terug is. Daarnaast houdt hij zich aan de afgesproken tijden en informeert hij de begeleiding wanneer afspraken wijzigen.
Er mogen geen belemmeringen ontstaan in zijn dagelijks functioneren door het gebruik van alcohol of drugs. Ernstig of structureel middelengebruik dat leidt tot onveiligheid of het niet nakomen van school- of begeleidingsafspraken is niet toegestaan.
[minderjarige] komt niet op een negatieve manier in aanraking met de politie en pleegt geen strafbare feiten. Hij laat zich niet betrekken bij strafbare of onveilige situaties.

5.9 [accommodatie] is de opnemende instelling, indien [minderjarige] zich niet aan de voorwaarden houdt en in het plan van aanpak staat vermeld welke medewerkers bevoegd zijn hierover te beslissen. De onafhankelijke gedragswetenschapper stemt in met het verzoek tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden. Dit blijkt uit de instemmingsverklaring van 13 juli 2026.

5.10 Met de GI is de kinderrechter het eens dat aanvullend ambulante hulpverlening wordt ingezet om [minderjarige] te ondersteunen bij het verder ontwikkelen van zijn zelfstandigheid en het toepassen van aangeleerde vaardigheden in een minder beschermde omgeving. Daarnaast is het van belang dat er systemische hulpverlening wordt ingezet met als doel de onderlinge relatie tussen [minderjarige] en zijn ouders te verbeteren, het contact te versterken en de samenwerking binnen het systeem te bevorderen. Op deze wijze wordt gewerkt aan zowel de persoonlijke ontwikkeling van [minderjarige] als aan herstel en versterking van de relaties binnen zijn gezinssysteem.

5.11 De kinderrechter verklaart de beslissing voor wat betreft de machtiging tot uithuisplaatsing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. De beslissing voor wat betreft de voorwaardelijke machtiging is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.12 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1 verleent, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten met ingang van 14 juli 2026 en tot 24 april 2027;
verleent, onder de voorwaarden als opgenomen in het hulpverleningsplan getekend op 11 juni 2026 (en rechtsoverweging 5.8), een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 14 juli 2026 en tot 14 januari 2027.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dijke als griffier, en op schrift gesteld op 31 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen