Rb. Zeeland-West-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7383
Echtscheiding. Is verzoeker wilsonbekwaam? Rechtbank beoordeelt wilsbekwaamheid op basis van stukken en beeld van de man op zitting.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/443978 FA RK 26-218
datum uitspraak: 8 juli 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. E.M.M. Molkenboer te Tilburg,
en
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. A. van Tol-Macharoblishvili te Tilburg.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 14 januari 2026 ontvangen verzoekschrift (met bijlagen);
- het op 23 maart 2026 ontvangen verweerschrift (met bijlagen);
- het op 20 april 2026 ontvangen verweerschrift op zelfstandig verzoek;
- de brieven van mr. Molkenboer van 16 januari 2026 (met bijlagen), 26 maart 2026 (met bijlagen), 28 maart 2026 en 13 mei 2026 (met bijlage).
1.2 De zaak is behandeld op de zitting van 29 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
2 De feiten
2.1 Op grond van de overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- zij zijn op [datum] 1993 te [plaats] , Suriname, met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden;
- zij hebben de huwelijkse voorwaarden bij notariële akte van 7 maart 2025 gewijzigd;
- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;
- partijen leven sinds 30 september 2025 feitelijk gescheiden.
3 Het verzoek
3.1 De man verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken.
3.2 De vrouw voert verweer en vraagt primair om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair vraagt zij de rechtbank om een deskundige te benoemen die de geestesgesteldheid en de wilsbekwaamheid van de man nader onderzoekt.
4 De beoordeling
4.1 De man verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij is van mening dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht. Het huwelijk van partijen loopt al geruime tijd moeizaam. De vrouw was gedurende langere aaneengesloten perioden afwezig vanwege verblijf in Suriname. Omdat de vrouw in het geheel geen zorg verleende en de gezondheid en het welzijn van de man ernstig te wensen overlieten, heeft hij zijn intrek genomen bij zijn zoon. Zowel de advocaat van de man zelf, maar ook derden, zoals de notaris en de arts die de man heeft onderzocht, zijn tot de conclusie gekomen dat de man heel goed in staat is om zijn wil te bepalen en dat hij de gevolgen van zijn echtscheidingsverzoek overziet. De man is stellig in zijn wens om te scheiden en in zijn weigering om met de vrouw in gesprek te gaan.
4.2 Volgens de vrouw is de man niet in staat om zijn wil te bepalen. De man is recentelijk gediagnosticeerd met beginnende dementie. Daardoor kan hij de gevolgen van een echtscheiding niet overzien. Daarnaast vermoedt de vrouw dat de man sterk wordt beïnvloed door zijn zoon, waar hij nu verblijft. De vrouw verkeert nog steeds in de veronderstelling dat er een toekomst voor de relatie bestaat. Hun jarenlange huwelijk verliep naar haar beleving goed. Ze weerspreekt de beschuldigingen van de man aan haar adres. Ze heeft de man altijd van alle nodige ondersteuning en hulp voorzien. De vrouw is bovendien altijd samen met de man naar Suriname afgereisd. Een enkele keer heeft zij in overleg en met instemming van de man enige tijd langer dan hij in Suriname verbleven. De man is op 30 september 2025 naar een familieverjaardag gegaan en tot verbijstering van de vrouw niet meer naar huis teruggekomen. De man heeft nimmer met haar over zijn wens om te scheiden gesproken. Sinds zijn vertrek heeft de man iedere vorm van contact met haar verbroken en haar geblokkeerd. Betwijfeld wordt of de arts waarvan de man een verklaring heeft overgelegd, kennis heeft genomen van het medische dossier van de man bij het [ziekenhuis]. Een deskundigenonderzoek is mede daarom aangewezen.
Internationale bevoegdheid
4.3 Vanwege de plaats van huwelijkssluiting in Suriname heeft deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze ambtshalve beoordeeld. De Nederlandse rechter is bevoegd met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, aangezien ten tijde van de indiening van het verzoekschrift partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben (artikel 3 lid 1 sub a onder (i) Brussel II-ter Verordening).
4.4 De rechtbank beoordeelt eerst het verweer van de vrouw dat de man niet in staat is om zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding en dat hij de betekenis van het verzoek niet begrijpt. Als dat het geval is, is de man immers niet-ontvankelijk in zijn echtscheidingsverzoek.
4.5 De rechtbank stelt voorop dat zij op basis van de stukken en de eigen waarneming tijdens de zitting voldoende is geïnformeerd over de geestgesteldheid van de man. Een deskundigenonderzoek vindt de rechtbank daarom niet nodig.
4.6 Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de man in staat is zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding en dat hij de gevolgen van zijn verzoek overziet. Hoewel is komen vast te staan dat beginnende dementie bij de man is vastgesteld, betekent de aanwezigheid van die ziekte niet automatisch dat de man niet (meer) in staat is om zijn wil ten aanzien van de echtscheiding te bepalen. De man heeft naar aanleiding van het standpunt van de vrouw over zijn wilsbekwaamheid verschillende stukken in het geding gebracht waaruit is af te leiden dat hij in staat is zijn eigen wil te bepalen. Zo heeft hij een verklaring overgelegd van een arts die aangeeft dat de man in staat wordt geacht zijn belangen ter zake de echtscheiding te behartigen. Bij de totstandkoming van die verklaring is ook de bij de huisarts van de man bekende informatie meegenomen. Verder blijkt uit de verklaring dat de arts ervan op de hoogte is dat bij de man in 2025 een “progressieve neuro-psychiatrische aandoening” is vastgesteld, waarmee de beginnende dementie bedoeld wordt. Daarnaast heeft de man een brief overgelegd van de notaris waar hij begin dit jaar is geweest voor zijn (levens)testament. In die brief heeft de notaris uitgebreid en feitelijk omschreven dat en op welke wijze hij heeft vastgesteld dat de man in staat was zijn wil te verklaren en de gevolgen van zijn wensen te begrijpen en te overzien. Ten slotte heeft de rechtbank uit eigen waarneming kunnen vaststellen dat de man in staat is zijn wil te bepalen ten aanzien van de echtscheiding. De man was op de zitting aanwezig en hij kon in zijn eigen woorden aan de rechtbank uitleggen welk verzoek hij heeft ingediend, welke beweegredenen hij daarvoor heeft en wat de gevolgen zijn van zijn verzoek. Hij begreep de vragen van de rechtbank en kon daar adequaat op reageren. De rechtbank heeft ook enige mate van vergeetachtigheid en verwarring bij de man waargenomen tijdens de zitting. De rechtbank sluit niet uit dat de ziekte van de man invloed heeft op zijn herinneringen aan en beeld van zijn huwelijk met de vrouw. Dit kan verklaren waarom de man en de vrouw zo verschillende zienswijzen hebben over hoe hun samenzijn gedurende de huwelijkse samenleving is geweest. Dat laat onverlet dat de rechtbank, zoals hiervoor uiteengezet, een verzoeker ziet die de gevolgen van zijn verzoek om de echtscheiding uit te spreken, begrijpt, namelijk dat zijn huwelijk definitief eindigt. Het is de rechtbank ter zitting duidelijk geworden dat dit verzoek de daadwerkelijke wens van de man is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek tot echtscheiding.
4.7 De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 1:151 Burgerlijk Wetboek wordt de echtscheiding op het verzoek van één der echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Op basis van de feiten en omstandigheden die blijken uit de overgelegde stukken en het besprokene tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Het verzoek van de man zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.8 De man verzoekt de rechtbank de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat betekent dat deze blijft gelden, ook als iemand het er niet mee eens is en in hoger beroep gaat. De rechtbank wijst dit verzoek af. De echtscheiding kan de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het huwelijk pas eindigt op het moment dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
5 5 De beslissing
De rechtbank:
5.1 spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, die met elkaar zijn gehuwd op [datum] 1993 in [plaats] te Suriname;
5.2 wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen, rechter, en in tegenwoordigheid van mr. Tummers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.