Rb. Zeeland-West-Brabant 10 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7232
Verschaffen beheerdersrechten Facebookpagina na beëindiging samenwerking
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/449047 / KG ZA 26-307
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.
Het kort geding wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Breda.
De zaak wordt behandeld door mr. N.E.J.M. Stoof, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. C.H.D.M. van de Kar als griffier.
Aanwezig zijn:
- namens [eiser] : dhr. [persoon 1] , voorzitter en mw. [persoon 2] , gevolmachtigde, bijgestaan door mr. Hartingsveldt,
- [gedaagde] .
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juli 2026 met producties 1 t/m 27,
- de akte wijziging eis tevens houdende akte overlegging nadere producties 28 t/m 41, - het verweerschrift van [gedaagde] met producties 1 t/m 16a, - de mondelinge behandeling van 10 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de spreekaantekeningen van [eiser] - de spreekaantekeningen van [gedaagde] .
1.2 Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunt toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling geschorst. De voorzieningenrechter heeft na hervatting de mondelinge behandeling gesloten en in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
2 Waar gaat de zaak over?
2.1 [gedaagde] is als vrijwilligster betrokken geweest bij [eiser] . Zij had onder haar beheer de Facebookpagina [eiser] . Nadat de samenwerking tussen partijen is geëindigd heeft [gedaagde] geweigerd de beheerdersrechten (waaronder de inlogcodes) van de Facebookpagina aan [eiser] te verstrekken . [gedaagde] heeft dat geweigerd omdat zij zich op het standpunt stelt rechthebbende op de Facebookpagina te zijn. De voorzieningenrechter heeft de vordering strekkende tot het verschaffen van de beheerdersrechten van de Facebookpagina toegewezen. De vordering om [gedaagde] te veroordelen zich te onthouden van het doen van lasterlijke negatieve en onjuiste uitlatingen omtrent de [eiser] en/of haar bestuursleden is afgewezen.
3 De beoordeling
Ontvankelijkheid
3.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat, voor zover op grond van de statuten van [eiser] een bestuursbesluit nodig is voor het voeren van een gerechtelijke procedure, zoals [gedaagde] stelt en [eiser] betwist, geldt dat dit besluit op 20 juni 2026 is genomen.
[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat voormeld besluit niet rechtsgeldig is omdat [persoon 3] , die ook bestuurder is van [eiser] , daar niet bij is betrokken.
De voorzieningenrechter constateert dat blijkens de notulen van de bestuursvergadering van [eiser] van 26 mei 2026 [persoon 3] als bestuurslid is ontslagen. De voorzieningenrechter moet daar in het kader van dit kort geding vanuit gaan nu niet gesteld of gebleken is dat [persoon 3] heeft geprobeerd het ontslagbesluit in rechte aan te tasten.
Bovendien volgt uit lid 3 van artikel 2:292 Burgerlijk Wetboek dat een beroep op het ontbreken van bevoegdheid tot vertegenwoordiging slechts door de [eiser] kan worden ingeroepen. [gedaagde] kan daar dus geen beroep op doen. Dit betekent dat [eiser] ontvankelijk is in haar vorderingen.
Spoedeisend belang
3.2 [eiser] heeft gesteld een spoedeisend belang te hebben bij haar vordering tot afgifte van de beheerdersrechten van de Facebookpagina, omdat deze pagina belangrijk is voor de zichtbaarheid van de [eiser] en dat, nu dit momenteel niet het geval is, de donaties opdrogen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] nog over een andere Facebookpagina beschikt (Hulpprojecten van [eiser] , hierna: Facebookpagina Hulpprojecten) die door [eiser] sinds mei 2026 niet meer is gebruikt om nieuwe hulpprojecten of andere berichten te plaatsen. Vast staat echter dat de thans in het geding zijnde Facebookpagina omstreeks 41.000 volgers heeft en de Facebookpagina Hulpprojecten 1.700. Daarnaast heeft [eiser] door het overleggen van verklaringen van donateurs voldoende onderbouwd dat donaties opdrogen. Gelet op dit alles is voldoende gebleken van spoedeisend belang bij het gevorderde.
verschaffen van beheerdersrechten en verlenen medewerking
3.3 [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling de vordering om [gedaagde] te veroordelen de beheerdersrechten van de Facebookpagina Hulpprojecten aan [eiser] te verschaffen (vordering II) ingetrokken, zodat daarop niet meer hoeft te worden beslist.
3.4 In geschil is of [gedaagde] gehouden is de beheerdersrechten, waaronder de inlogcodes van de Facebookpagina, voorheen geheten “ [eiser] ” en inmiddels geheten “ [naam 1] ”, met circa 41.000 volgers, aan [eiser] te verstrekken.
3.5 De voorzieningenrechter stelt voorop dat om vast te stellen wie rechthebbende is op een Facebookpagina niet doorslaggevend is wie de beheerders-rechten heeft volgens [naam 2]. Daar is meer voor nodig.
Gebleken is dat de Facebookpagina in 2013 door [persoon 1] of [persoon 3] is aangemaakt ten behoeve van [eiser] en niet voor zichzelf. Vervolgens is [gedaagde] in verband met haar eigen dierenwebshop via [persoon 3] als website-beheerder van [eiser] in contact gekomen met [eiser] . In de loop van 2019 is zij de Facebookpagina gaan beheren en zij heeft in de jaren daarna de content verder uitgebouwd. Zij heeft dat in overleg met het bestuur van [eiser] gedaan. De omstandigheid dat aan [gedaagde] grotendeels de vrije hand is gegeven voor de bewerking van de Facebookpagina in het kader van de samenwerking maakt echter niet dat zij daardoor rechthebbend op de Facebookpagina is geworden. Ook de omstandigheid dat 6% van alle berichten ten behoeve van [eiser] werden gepost, zoals [gedaagde] stelt, maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de overdracht van de beheerdersrechten van de Facebookpagina door [persoon 3] aan [gedaagde] , omdat dit volgens [eiser] een praktische insteek was.
Bovendien blijkt uit de e-mails, genoemd en geciteerd in de pleitaantekeningen van [eiser] onder randnummers 22 t/m 29, dat [gedaagde] ondanks de overdracht van de beheerdersrechten afstemming met het bestuur van [eiser] bleef zoeken.
3.6 De voorzieningenrechter komt op grond van dit alles tot de conclusie dat de beheerdersrechten van de Facebookpagina aan [eiser] toekomen, zodat vordering I wordt toegewezen. [gedaagde] zal worden veroordeeld om de beheerdersrechten, inclusief de inlogcodes, aan [eiser] over te dragen. Zij moet dat doen binnen een termijn van één week na betekening van dit vonnis.
3.7 Hoewel [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard aan een veroordeling te zullen meewerken, acht de voorzieningenrechter een stok achter de deur noodzakelijk. De onder III gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen. Wel wordt aanleiding gezien om de dwangsommen te matigen tot € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,00.
onthouden van het doen van lasterlijke, negatieve en onjuiste uitlatingen
3.8 Vordering IV wordt afgewezen. Niet gebleken is dat [gedaagde] zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van dergelijke uitlatingen. De vrees van [eiser] dat zij dat in de toekomst mogelijk zal gaan doen is onvoldoende voor een dergelijk verbod.
proceskosten.
3.9 Partijen hebben elkaar over en weer verweten dat zij de voorzieningenrechter onjuist hebben voorgelicht en dat daarmee de waarheidsplicht van artikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geschonden.
[persoon 3] en bestuurslid Franssen waren niet bij de mondelinge behandeling aanwezig, zodat zij niet konden worden bevraagd. Daarom kan niet gecontroleerd worden of er door (een van) de partijen e-mails zijn vervalst. In het bestek van dit kort geding is geen ruimte voor een diepgaand onderzoek. In ieder geval wordt hierin geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten.
3.10 Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de kosten van dit kort geding te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
uitvoerbaar bij voorraad
3.11 Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4 De beslissing
De voorzieningenrechter
4.1 veroordeelt [gedaagde] om binnen één week na betekening van dit vonnis aan [eiser] alle beheerdersrechten van de Facebookpagina (eerder getiteld “ [eiser] ” en inmiddels getiteld “ [naam 1] ”) te verschaffen en daartoe alle medewerking te verlenen, waaronder te verstaan het verschaffen van inlogcodes en het wijzigen van de koppeling tussen de Facebookpagina en de (privé)mail van [gedaagde] naar het e-mailadres van [eiser] , een en ander op zodanige wijze dat [eiser] het beheer over deze Facebookpagina weer verkrijgt en zij deze zelf kan gaan beheren,
4.2 bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte van de dag dat zij niet aan voormelde veroordeling voldoet met een maximum van € 5.000,00,
4.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4 compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.5 wijst af het meer of anders gevorderde.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. Stoof en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter.