Rb. Zeeland-West-Brabant 15 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6440

Kort geding. Schorsen omgangsregeling

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/448852 / KG ZA 26-292
Vonnis in kort geding van 15 juni 2026
in de zaak van
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. P.G.C.P. Smits te 's-Hertogenbosch,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. I. Gerrand te Eindhoven.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties, betekend op 8 juni 2026;
- het herstelexploot van 9 juni 2026;
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;
- de pleitnota van Smits, die ter zitting is overlegd en voorgedragen.

1.2 De wettelijke termijn voor dagvaarden is overeenkomstig het bepaalde in artikel 117 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op mondelinge last van de voorzieningenrechter verkort.

1.3 De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

1.4 Tijdens de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- de advocaat van de man;
- de vrouw met haar advocaat van de vrouw;
- een vertegenwoordiger namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad, om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.

1.5 De man is niet in persoon verschenen. Hij bevond zich bij aanvang van de mondelinge behandeling nog in het vliegtuig. De advocaat van de man heeft het verzoek gedaan om de man telefonisch deel te laten nemen aan de zitting. De voorzieningenrechter heeft dit toegestaan, onder de voorwaarde dat de man in een afgesloten ruimte, alleen en ongestoord, aan de zitting kon deelnemen via de telefoon. Gedurende de zitting is het niet mogelijk gebleken voor de man om hieraan te voldoen. De voorzieningenrechter heeft zich genoodzaakt gezien de zitting voort te zetten, waarbij de advocaat van de man in de gelegenheid is gesteld om tijdens een schorsing van de zitting overleg te voeren met de man, een terugkoppeling te geven van wat is besproken en de reactie van de man weer te geven.

1.6 Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende nu nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, hierna te noemen: [minderjarige] .

2.2 De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de vrouw.

2.3 Bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2023 is, voor zover nu van belang, de volgende omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [minderjarige] :
- [minderjarige] verblijft eenmaal in de veertien dagen in de even weken bij de man van zaterdagochtend (na afloop van de voetbalwedstijd van [minderjarige] ) tot zondagavond 18.00 uur (na het eten), waarbij de vrouw [minderjarige] na afloop van zijn voetbalwedstrijd naar de man brengt en de man [minderjarige] op zondag om 18.00 uur naar de vrouw terugbrengt:
- elke dinsdagavond om 18.30 uur zal de man met [minderjarige] beeldbellen, waarbij de man
de vrouw belt.

2.4 Op 10 april 2026 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/447130 / FA RK 26-1908) strekkende tot schorsing van de omgangsregeling en vaststelling van een (begeleide) omgangsregeling. Daarbij heeft de vrouw om een provisionele voorziening verzocht in de zaak (bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/447128 FA RK 26-1906) tot schorsing van de omgangsregeling. Bij beschikking van 24 april 2026 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant zich onbevoegd verklaard om van de verzoeken kennis te nemen en zijn de zaken doorverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch.

2.5 In de procedure tot het treffen van een provisionele voorziening is bij de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch een mondelinge behandeling gepland op 25 augustus 2026. In de bodemprocedure is nog geen mondelinge behandeling gepland.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1 De man vordert in conventie, bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te bevelen haar medewerking te verlenen aan deelname van zoon [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, samen met de man, vader, aan de bruiloft van de broer van vader, [persoon] , op [datum] 2026 van 12 uur tot 23 uur, door medewerking aan het [minderjarige] meegeven aan de oudste broer van vaders zijde vanaf haar woning te [woonplaats 2] , aan [adres] , zulks op straffe van een dwangsom van 3000 euro (zegge: drie duizend euro) bij niet nakoming van dit bevel;
II. de vrouw te bevelen op straffe van een dwangsom van 250 euro per dag bij niet nakoming, medewerking te verlenen aan de uitvoering van de omgangsregeling bij beschikking van 20 januari 2023 door de rechtbank Oost-Brabant gewezen onder zaaknummer C/01/380326/FA RK 22-1201, door afgifte van de zoon aan vader, cq door afgifte van de zoon aan de oudste broer van vader;
III. met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

3.2 Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de zitting het volgende aangevoerd. De man wil samen met [minderjarige] naar de bruiloft van zijn jongste broer op [datum] 2026. Daarbij heeft de vrouw de mogelijkheid om [minderjarige] zelf te brengen of de oudste broer van de man en de vader van de man halen [minderjarige] op en brengen hem terug naar de vrouw, zodat er geen persoonlijk contact tussen de vrouw en de man nodig is. De vrouw kent de familie van de man al jarenlang. [minderjarige] zelf is daarnaast steeds bij de familie van de man gekomen en is geheel geworteld. De man wilde de bruiloft bespreken in de procedure rondom de provisionele voorziening, maar de mondelinge behandeling van die zaak is pas op 25 augustus 2026 gepland bij de rechtbank Oost-Brabant. De man wist al langer van de bruiloft, maar hij had verwacht dat partijen er wel uit zouden komen. Als prikkel tot nakoming vordert de man een dwangsom op te leggen, omdat de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] geheel heeft stopgezet en zij hierover niet in gesprek wilde. Verder wil de man dat de voorzieningenrechter nog een gesprek zal voeren met [minderjarige] . De advocaat van de man verzoekt om tijdens de zitting te bellen of na de zitting een kindgesprek te plannen met [minderjarige] , zodat hij zijn mening kan geven.

3.3 De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen.

3.4 De vrouw vordert in reconventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de in de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2023 met kenmerk C/01/380326 / FA RK 22/1201 vastgestelde omgangsregeling te schorsen, dan wel de man tijdelijk omgang met [minderjarige] te ontzeggen totdat de rechtbank een (eind)beslissing in de bodemprocedure heeft genomen.

3.5 Ter onderbouwing van haar verweer en vordering voert de vrouw het volgende aan. De vrouw acht omgang tussen de man en [minderjarige] op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . In de afgelopen jaren heeft de man de vrouw met regelmaat bedreigd en uitgescholden. Ook hebben er met regelmaat escalaties en ruzies plaatsgevonden tussen de man en zijn familie, ook in bijzijn van [minderjarige] . Bij de man is sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, waarvoor de man het advies voor hulpverlening nooit heeft opgevolgd. Bij de beschikking van 20 januari 2023 is een omgangsregeling vastgesteld. Daarna zijn er toch regelmatig onveilige en onverantwoorde situaties geweest tijdens de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de man. Ook de basisverzorging ontbrak. In november 2024 heeft een ernstig incident plaatsgevonden tussen de man en zijn zus. De man heeft zijn zus geslagen met een strijkbout, gewurgd met een strijkkoord, geslagen met een stofzuigersteel en geprobeerd haar te steken met een mes. [minderjarige] en zijn vriendjes waren daarbij aanwezig, omdat [minderjarige] zijn verjaardag vierde. De politie heeft hierna een melding gedaan bij Veilig Thuis. Na onderzoek heeft Veilig Thuis in mei 2025 de zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij de man bevestigd. Hij heeft psychische problematieken die onbehandeld blijven. Ook zijn er zorgen over alcoholgebruik en misbruik van benzodiazepine. De man heeft contactverzoeken vanuit Veilig Thuis genegeerd. Er konden daarom geen veiligheidsafspraken worden gemaakt. Daarnaast liet [minderjarige] op school een verschil in gedrag zien nadat [minderjarige] in het weekend bij de man was geweest. Veilig Thuis heeft toen aangegeven dat de vrouw vanuit haar eenhoofdig gezag in staat wordt geacht om haar verantwoordelijkheid te nemen om de juiste keuzes te maken met betrekking tot de veiligheid van [minderjarige] bij de man en de vastgestelde omgangsregeling. Op basis hiervan heeft de vrouw de omgangsregeling gewijzigd met ingang van 17 juni 2025, in die zin dat [minderjarige] iedere eerste zaterdag van de maand van 12.00 tot 18.00 uur bij de man verblijft. Hoewel de man het niet eens was met deze wijziging, is de omgangsregeling sindsdien zo verlopen.

3.6 Door het incident op 7 maart 2026, wat de vrouw op zitting nader heeft toegelicht, is voor de vrouw haar grens bereikt. Sindsdien wenst [minderjarige] geen contact meer met zijn vader. Er is nog een belmoment geweest tussen de man en [minderjarige] , maar [minderjarige] ervaarde daardoor veel spanning. [minderjarige] slaapt met speelgoedzwaarden bij zijn bed en heeft een knuppel bij het bed van de vrouw gelegd, waarbij hij zei dat hij de vrouw zou beschermen. De vrouw en [minderjarige] hebben al therapie gehad, maar de vrouw heeft telkens geprobeerd om het contact tussen de man en [minderjarige] in stand te houden. Op dit moment is de vrouw van mening dat er een dermate onveilige situatie bij de man thuis is dat uitvoering van de omgangsregeling schadelijk en niet in het belang van [minderjarige] is. De vrouw vordert, gezien de grote zorgen, de omgangsregeling te schorsen dan wel tijdelijk de omgang te ontzeggen, totdat de rechtbank een beslissing in de bodemprocedure of op verzochte provisionele voorziening heeft genomen. Via die procedures kan gekeken worden of en hoe begeleide omgang tot stand gebracht kan worden, met als uiteindelijke doel om de omgang van eens per maand te hervatten. Op dit moment is van belang dat er rust komt voor [minderjarige] .

3.7 Ten aanzien van de bruiloft stelt de vrouw dat [minderjarige] de man inmiddels al maanden niet gezien heeft. Bij het laatste contact was er geweld door de man richting de vrouw, waar [minderjarige] getuige van was. Daarnaast kent [minderjarige] de broer van de man nauwelijks en heeft de familie van de man de vrouw bedreigd. De aanwezigheid van [minderjarige] op de bruiloft is daarom niet in het belang van [minderjarige] . Verder heeft de vrouw bezwaar tegen het bellen van [minderjarige] tijdens de zitting, omdat [minderjarige] op school citotoetsen aan het maken is. De vrouw heeft geen bezwaar tegen het horen van [minderjarige] na de zitting.

3.8 De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in reconventie en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Het incident in maart 2026 is heel anders verlopen. Er was wel een ruzie tussen de man en de vrouw, maar dat kwam omdat de vrouw [minderjarige] te vroeg kwam ophalen. De man wilde dat hij bleef. [minderjarige] was binnen in de woning. De man heeft de vrouw niet geslagen en ook niet in haar gezicht gespuugd, maar op de grond. De vrouw heeft geen aangifte gedaan en had geen letsel. De vrouw heeft echter onmiddellijk haar medewerking aan de omgangsregeling gestaakt. Eerder had de vrouw de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] al beperkt. De man was voornemens naar aanleiding van het stopzetten van het contact een kort geding te starten, maar heeft daarvan afgezien omdat de vrouw al een verzoekschrift had ingediend voor een provisionele voorziening en een bodemprocedure over opschorting van de omgangsregeling. Deze zaken zijn verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant en de wachttijd voor de zitting is maanden. Nooit eerder is het contact tussen de man en [minderjarige] stopgezet, maar nu wordt hem het contact met [minderjarige] al meerdere weken onthouden. De man ontkent de gestelde verslaving aan benzodiazepine. De vrouw is al jarenlang bekend met het karakter en de problematiek van de man. Hij begrijpt niet waarom dit nu ineens moet leiden tot het stopzetten van de omgang. De man heeft hulpverlening vanuit de gemeente. De man vermoedt dat de vrouw nu een andere opvoedstijl met strikte regels hanteert, vanwege de aansluiting bij een nieuwe kerk of omdat zij een nieuwe baan heeft. In hoeverre de door de vrouw genoemde zorgen gegrond zijn, moet in de bodemprocedure worden uitgezocht, maar die zorgen kunnen op dit moment niet tot de conclusie leiden dat het niet in het belang is van [minderjarige] dat hij contact heeft met de man of dat hij het familiefeest met zijn vader moet missen. Onder verwijzing naar de uitspraak van rechtbank Rotterdam (bijlage pleitnota) stelt de man dat de omgang zo spoedig mogelijk moet worden opgestart, omdat de drempel voor [minderjarige] hoger wordt naarmate er langer wordt gewacht met het opstarten van het contact.

3.9 Op de stellingen van partijen en het advies van de Raad wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

Relatieve bevoegdheid

4.1 De voorzieningenrechter acht zich relatief bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in kort geding, nu de vrouw en de minderjarige over wie zij alleen het gezag heeft, woonplaats hebben in [woonplaats 2] . [woonplaats 2] valt onder het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda.

Gezamenlijke behandeling vorderingen

4.2 Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.

Spoedeisend belang

4.3 Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting, in het bijzonder de datum van de bruiloft, staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.

Horen van de minderjarige

4.4 Met betrekking tot het verzoek van de man om de minderjarige (alsnog) te horen, stelt de voorzieningenrechter voorop dat de mening van [minderjarige] belangrijk wordt geacht. Het is in reguliere procedures ook gebruikelijk om minderjarigen vanaf 8 jaar in de gelegenheid te stellen hun mening te geven. Het spoedeisend karakter van een kort geding procedure brengt echter beperkingen met zich. In voorkomende gevallen kan, indien mogelijk en in het belang van de minderjarige, (ook) ter zake een voorlopige maatregel of voorziening, een kindgesprek worden bepaald. In dit geval heeft de voorzieningenrechter daar op voorhand vanaf gezien. Het telefonisch horen van [minderjarige] tijdens de zitting, onder schooltijd, heeft de voorzieningenrechter als niet in het belang van [minderjarige] gepasseerd. Evenmin ziet de voorzieningenrechter gelet op wat er tijdens de zitting is besproken aanleiding dit alsnog te doen. [minderjarige] zal voor het treffen van een provisionele voorziening en/of in de bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant, de gelegenheid krijgen om zijn mening te geven, als hij dat wil en op de manier die hij wil (schriftelijk of in een gesprek). Voor het nemen van de beslissing is het niet nodig dat de minderjarige zelf zijn mening geeft.

Advies van de Raad

4.5 De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat er grote zorgen zijn over [minderjarige] . Over het horen geeft de Raad aan dat er voldoende informatie is voor de Raad om een advies te kunnen geven. Daarbij acht de Raad de reactie en mening van [minderjarige] die de vrouw weergeeft aannemelijk op basis van de informatie en stukken die zijn ingebracht. Het incident tussen ouders in maart 2026, waarbij [minderjarige] getuige is geweest van een mishandeling van de vrouw door de man, heeft een grote impact gehad op [minderjarige] . Het is logisch dat hij hierdoor weerstand laat zien tegen het contact met de man. Ook is [minderjarige] eerder al getuige geweest van een ernstige mishandeling door de man van zijn zus. De Raad vindt dit ontzettend schadelijk voor [minderjarige] en acht de kans groot dat [minderjarige] hierdoor getraumatiseerd is. Op dit moment is er vooral rust en duidelijkheid nodig. De Raad adviseert daarom de omgangsregeling te schorsen, totdat er een nadere beslissing wordt genomen in de procedure van de provisionele voorziening bij de rechtbank Oost-Brabant. In die procedure kan vervolgens gekeken worden welke hulpverlening er nodig is en of het mogelijk is dat gestart wordt met begeleide omgang. De Raad heeft echter grote twijfels over de bereidheid van de man om hulpverlening aan te gaan, nu de man ook niet heeft meegewerkt aan het onderzoek vanuit Veilig Thuis in 2025.

Inhoudelijke beoordeling vorderingen

4.6 De bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 20 januari 2023 vastgestelde omgangsregeling dient in beginsel te worden nagekomen, tenzij anders wordt overeengekomen of anders wordt beslist. Gebleken is dat de omgangsregeling per 17 juni 2026 door de vrouw is gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] iedere eerste zaterdag van de maand van 12.00 tot 18.00 uur bij de man is gaan verblijven. De vrouw heeft de omgangsregeling destijds gewijzigd, omdat Veilig Thuis zorgen constateerde over het verblijf van [minderjarige] bij de man. Veilig Thuis was betrokken vanwege een melding vanuit de politie naar aanleiding van een incident, waarbij [minderjarige] getuige is geweest van een ernstige mishandeling door de man van zijn zus. Veilig Thuis heeft daarbij aangegeven de inschatting te maken dat de vrouw vanuit haar eenhoofdig gezag haar verantwoordelijkheid zou nemen om de juiste keuzes te maken met betrekking tot de veiligheid van [minderjarige] bij de man en de vastgestelde zorgregeling. De vrouw heeft aangevoerd, wat vanuit school bevestigd is, dat zij merkte dat deze wijziging een positief effect gehad heeft op [minderjarige] . Hoewel de man het niet eens was met deze wijziging van de omgangsregeling, hebben ouders hier uitvoering aan gegeven, tot het incident in maart 2026. Sindsdien hebben [minderjarige] en de man elkaar niet meer gezien, op een enkel belmoment na.

4.7 Hoewel het uitgangspunt is dat een vastgestelde of overeengekomen omgangsregeling moet worden nagekomen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er bijzondere omstandigheden gebleken zijn die de (voorlopige) conclusie rechtvaardigen dat omgang tussen de man en [minderjarige] op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. De voorzieningenrechter acht de ontstane situatie en wat er is voorgevallen, net als de Raad, enorm zorgelijk. Er hebben heftige incidenten plaatsgevonden, waar [minderjarige] getuige van is geweest en waar hij spanningen van ervaart. Deze incidenten hebben invloed gehad op [minderjarige] , zoals blijkt uit de rapportage van Veilig Thuis in 2025 en signalen vanuit school. Veilig Thuis heeft de zorgen bevestigd. Er konden vanuit Veilig Thuis echter geen veiligheidsvoorwaarden worden opgesteld, omdat de man niet reageerde. Gebleken is dat de vrouw telkens heeft geprobeerd de omgang tussen de man en [minderjarige] door te laten gaan, ondanks dat [minderjarige] weerstand en spanningen liet zien. De vrouw lijkt daarin te doen wat nodig is, terwijl dat aan de kant van de man niet wordt gezien. Zo heeft de man het advies tot hulpverlening voor zijn persoonlijkheidsproblematiek, alcoholgebruik en mogelijk medicatiemisbruik, meerdere keren, niet opgevolgd. Ook heeft hij niet meegewerkt aan het onderzoek van Veilig Thuis. Sinds het incident in maart 2026 geeft [minderjarige] aan de vrouw duidelijk aan dat hij geen contact wil met de man.

4.8 Gezien dit alles acht de voorzieningenrechter, in lijn met het advies van de Raad, voldoende aannemelijk dat de omgang tussen [minderjarige] en de man, op deze manier, schadelijk althans niet in het belang van [minderjarige] is. Er zijn momenteel te veel zorgen over het gedrag, de opvoedsituatie en de omgang aan de kant van de man. Daarbij brengen de spanningen omtrent de omgang veel stress en onzekerheid mee voor [minderjarige] . Hij heeft de man nu ook al enige tijd niet gezien. Dit betekent ook dat het niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht dat hij meegaat met de man naar de bruiloft van de broer van de man. Op dit moment is voor [minderjarige] voor alles belangrijk dat er – voorlopig – rust en duidelijkheid komt. In de lopende procedure omtrent de provisionele voorziening en de bodemprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant kan bekeken worden in hoeverre en op welke wijze de omgang tussen [minderjarige] en de man kan worden hervat. Dit dient op een verantwoorde wijze te gebeuren.

4.9 Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van de man worden afgewezen en de vordering van de vrouw wordt toegewezen, als na te melden.

Proceskosten

4.10 Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1 schorst de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] , zoals vastgesteld in voormelde beschikking van 20 januari 2023, totdat er bij provisionele voorziening of in de bodemprocedure een (nadere) beslissing is genomen over de omgangsregeling;

5.2 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.3 compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4 wijst hetgeen meer of anders is gevorderd af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Oomes, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Van Oorschot, griffier, op 15 juni 2026.

Aangehaalde artikelen