Rb. Zeeland-West-Brabant 15 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6436

(Voorlopige) voogdij. Familierechtelijke relatie en gezagspositie vader kan niet worden aangetoond en vastgesteld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers:
C/02/447548 / FA RK 26-2158 (voorlopige voogdij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] )
C/02/447590 / FA RK 26-2181 (voogdij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] )
C/02/448067 / FA RK 26-2431 (voorlopige voogdij [minderjarige 1] )
Datum uitspraak: 15 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de (voorlopige) voogdij
in de zaken van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] (Somalië),
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2008 in [geboorteplaats] (Somalië),
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2010 in [geboorteplaats] (Somalië),
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 1] .
de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, locatie Utrecht,
hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1 De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
de schriftelijke verzoeken van de Raad met bijlagen, ontvangen in de zaak C/02/447548 / FA RK 26-2158 op 24 april 2026, in de zaak C/02/447590 / FA RK 26-2181 op 23 april 2026 en in de zaak C/02/448067 / FA RK 26-2431 op 12 mei 2026;
de beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2026 in de zaak C/02/448067 / FA RK 26-2431;
de (oproep)brieven van 7 mei 2026 en 13 mei 2026 aan de vader;
de oproep van de moeder van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de Staatscourant van 11 mei 2026.

1.2 Op 28 mei 2026 zijn de verzoeken behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:
de vader, bijgestaan door een tolk:
een vertegenwoordiger van de Raad;
twee vertegenwoordigers van de GI.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.

1.3 De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun meningen gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter en zijn bijgestaan door een tolk, die telefonisch bij het gesprek aanwezig was. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1 Op grond van de overgelegde stukken is de volgende informatie bekend.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen) zijn op 28 juni 2024 aangekomen in Nederland. Sinds 31 januari 2025 verblijven zij in een asielzoekerscentrum in [plaats 2] . De moeder van [minderjarige 1] is uit beeld en onbekend is of zij nog in leven is. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben dezelfde moeder. Zij verblijft in Somalië en er is minimaal contact tussen haar en de kinderen. Er kan niet worden vastgesteld of zij met het gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is belast. De (mogelijke) vader stelt dat hij de vader van de kinderen is. Ook van de (mogelijke) vader kan niet worden vastgesteld dat hij daadwerkelijk de vader is en of hij met het gezag is belast. Hij draagt geen zorg voor de kinderen.

2.2 Bij voormelde beschikking van 12 mei 2026 in de zaak C/02/448067 / FA RK 26-2431 heeft de kinderrechter de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en vastgesteld dat de voorlopige voogdij van rechtswege eindigt op 1 juli 2026. De behandeling van het verzoek in die zaak is voor het overige aangehouden.

3 De verzoeken

In de zaak C/02/447548 / FA RK 26-2158

3.1 De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

In de zaak C/02/447590 / FA RK 26-2181

3.2 De Raad verzoekt de GI te belasten met de voogdij over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In de zaak C/02/448067 / FA RK 26-2431

3.3 De Raad verzoekt de GI te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4 De standpunten

4.1 Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van de Raad verwezen naar de inhoud van de verzoekschriften. Kort samengevat is er op dit moment ten aanzien van de kinderen sprake van een gezagsvacuüm. Onduidelijk is wat de (gezags)positie van de moeder en de (mogelijke) vader is. De kinderen zijn aangemerkt als minderjarige asielzoekers. Het is van belang dat er noodzakelijke dingen voor de kinderen geregeld kunnen worden. Nu er een verzoek is gedaan om de GI te belasten met de voogdij over de kinderen bestaat er geen belang meer bij een beslissing op de verzoeken om te GI te belasten met de voorlopige voogdij.

4.2 Namens de GI is aangegeven dat zij de verzoeken van de Raad ondersteunt. Met de Raad stemt de GI ermee in dat wordt beslist op het verzoek om haar te belasten met de voogdij over de kinderen. Dit verzoek is passend en in het belang van de kinderen. Gekeken zal worden wat de kinderen nodig hebben en of er kan worden toegewerkt naar (een vorm van) gezag.

4.3 De vader heeft verteld dat hij blij is als de kinderen een voogd kunnen krijgen en dat er duidelijkheid komt. De kinderen zitten nu tussen wal en schip. De vader geeft aan dat hij steeds bij instanties vastloopt omdat er geen gezag is.

5 De (nadere) beoordeling

Internationale bevoegdheid

5.1 Vanwege het feit dat de kinderen niet in Nederland geboren zijn en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, dragen deze zaken een internationaal karakter. De kinderrechter heeft ambtshalve vastgesteld dat zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken, en dat Nederlands recht van toepassing is op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken

In de zaak C/02/447590 / FA RK 26-2181

5.2 De Raad baseert dit verzoek op het bepaalde in artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hierin staat dat de rechtbank een voogd benoemt over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en voor wie de voogdij niet volgens de wet is geregeld.

5.3 Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is voldoende komen vast te staan dat er sprake is van een gezagsvacuüm. Deze situatie is ontstaan omdat er onduidelijkheid bestaat over de familierechtelijke relatie en over de gezagspositie van de vader, nu deze niet kan worden aangetoond en/of vastgesteld. De man erkent dat hij geen gezagsbeslissingen kan nemen over de kinderen. Het is in de afgelopen periode gebleken dat het door de huidige situatie niet mogelijk is om de noodzakelijke zaken voor de kinderen te regelen. De kinderen zitten al langere tijd in deze onduidelijke situatie. Het is daarom nodig en in het belang van de kinderen dat er een voogdijmaatregel over hen wordt uitgesproken. De GI heeft zich bereid verklaard om deze maatregel uit te voeren. De kinderen hebben bij de Raad en bij de kinderrechter aangegeven dat zij het eens zijn dat de GI tot voogd over hen benoemd wordt. Ook de vader stemt hiermee in.

5.4 Gelet op de wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de standpunten van de vader en de kinderen, zal de kinderrechter de GI benoemen tot voogdes over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .

In de zaak C/02/448067 / FA RK 26-2431

5.5 Zoals hiervoor in 2.2. is opgenomen, is de GI bij die beschikking belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] . Deze voorziening loopt door totdat op het verzoek tot voorziening in het gezag is beslist. In de zaak met nummer C/02/447590 / FA RK 26-2181 wordt in deze beschikking op dat verzoek beslist (vgl. 5.4. hiervoor).

In de zaak C/02/447548 / FA RK 26-2158

5.6 Gelet op de overwegingen zoals opgenomen onder 5.4. is er geen belang meer bij een beslissing op het verzoek tot het uitspreken van een voorlopige voogdij over de kinderen. In de zaak met nummer C/02/447590 / FA RK 26-2181 zal de kinderrechter in deze beschikking immers de GI benoemen tot voogdes over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en bestaat er geen (dringende en onverwijlde) noodzaak om de GI te belasten met de voorlopige voogdij over hen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen. De Raad en de GI hebben aangegeven dat zij hiermee instemmen.

Uitvoerbaar bij voorraad

5.7 De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

In de zaak C/02/447590 / FA RK 26-2181

6.1 benoemt Stichting Nidos tot voogdes over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ;

In de zaken C/02/447548 / FA RK 26-2158 en C/02/448067 / FA RK 26-2431

6.2 wijst de (resterende) verzoeken af;

In de zaak C/02/447590 / FA RK 26-2181

6.3 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Baggel, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2026, in aanwezigheid van Dekkers als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen