Rb. Zeeland-West-Brabant 2 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5935
Toekenning gezag aan vader na overlijden van moeder.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446854 / FA RK 26-1765
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking over gezag
in de zaak van
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. W.H.P. de Jongh uit Roosendaal,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.
1 Het verloop van de procedure
1.1 De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026.
1.2 De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad.
2 De feiten
2.1 De vader heeft een relatie gehad met mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder). Uit deze relatie is [minderjarige] geboren. De vader heeft [minderjarige] erkend.
2.2 De moeder is op [datum] 2025 overleden. De moeder was alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft tot het overlijden van de moeder met haar en de vader in een gezinsverband gewoond. [minderjarige] woont nu nog steeds bij de vader.
3 Het verzoek en het standpunt van de verzoeker
3.1 De vader verzoekt hem te belasten met het gezag over [minderjarige] , met uitvoerbaar verklaring bij voorraad.
3.2 Door en namens de vader is in het verzoekschrift en tijdens de zitting – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] woont sinds zijn geboorte met zijn ouders in gezinsverband. De vader heeft door de ziekte van de moeder altijd het grootste deel van de verzorging en opvoeding voor [minderjarige] op zich genomen. Voorafgaand aan het overlijden van de moeder heeft zij een brief geschreven waarin zij haar wens kenbaar maakt, namelijk dat de vader voor [minderjarige] blijft zorgen en dat hij bij de vader blijft wonen. De ouders waren in de veronderstelling dat zij het gezamenlijk gezag hadden omdat de vader [minderjarige] wel heeft erkend. Na het overlijden van de moeder bleek dit niet zo te zijn. Er zijn geen contra-indicaties aanwezig die het toekennen van het gezag in de weg staan. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vader het gezag krijgt.
4 Het standpunt van de Raad
4.1 De Raad adviseert de kinderrechter om het verzoek van de vader toe te wijzen. De Raad ziet geen contra-indicaties voor het toekennen van het gezag. De vader is een betrokken vader die al langere tijd voor [minderjarige] zorgt. Het is in het belang van [minderjarige] dat zijn vader het gezag krijgt.
5 De beoordeling
5.1 Als gevolg van het overlijden van de moeder wordt er sindsdien niet voorzien in het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat er sprake is van een gezagsvacuüm.
5.2 Op grond van artikel 1:253g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt de rechter dat de overlevende ouder of een derde met het gezag over het kind wordt belast, indien van de ouders diegene overlijdt die het gezag over hun minderjarige kind alleen uitoefent. Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat de rechter dit doet op verzoek van de Raad, de overlevende ouder of ambtshalve. Volgens het derde lid wordt het verzoek om de overlevende ouder met het gezag te belasten slechts afgewezen, indien de rechter oordeelt dat het belang van de minderjarige zich tegen inwilliging verzet.
5.3 De kinderrechter is van oordeel dat op basis van de stukken niet is gebleken dat het belang van [minderjarige] zich ertegen verzet dat de vader wordt belast met het ouderlijk gezag over hem. De vader heeft altijd samen met de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] gedragen. De kinderrechter acht het daarom juist in het belang van [minderjarige] dat de vader het gezag krijgt. De uitoefening van het gezag over [minderjarige] door de vader doet het meest recht aan de huidige situatie. Het is in het belang van [minderjarige] dat de vader voortaan (gezags)beslissingen over hem kan nemen. De kinderrechter zal daarom de vader belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
5.4 De kinderrechter zal haar beslissing, gelet op de aard daarvan en om een nieuw gezagsvacuüm te voorkomen, uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dat betekent dat die beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1 bepaalt dat de vader wordt belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ;
6.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Vos kinderrechter, in aanwezigheid van Akkermans-Bruijs als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.