Rb. Zeeland-West-Brabant 2 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5931

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een ongeboren kind in het kader van voorlopige ondertoezichtstelling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/448721 / JE RK 26-933
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[het ongeboren kind] ,
hierna te noemen: het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbend aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.J.M. Groenhuis-Kools uit Breda.

1 Het verloop van de procedure

1.1 In het procesdossier zit het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026.

2 De feiten

2.1 Bij beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 8 april 2026 is het ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden, dus tot 8 juli 2026.

2.2 De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend bij de kinderrechter om het ongeboren kind (definitief) onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Dit verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder het zaaknummer C/02/448328 / JE RK 26-865. De zitting in deze zaak is bepaald op [datum 1] 2026 om [uur] .

2.3 De moeder is momenteel aan het bevallen van het ongeboren kind. Op het moment van schrijven van het verzoekschrift had de moeder, volgens de GI, een ontsluiting van 4 centimeter.

3 Het verzoek

3.1 De GI verzoekt om met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken en deze beslissing onverwijld te nemen, oftewel zonder de moeder als belanghebbende in deze procedure daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om haar mening hierover te geven.

3.2 De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3 De GI verzoekt tot slot om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De beoordeling

4.1 Nu het belang van het thans nog ongeboren kind zulks vordert, merkt de kinderrechter het op grond van artikel 1:2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) als reeds geboren aan.

4.2 Op grond van artikel 1:265b, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

4.3 Op grond van artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking over een uithuisplaatsing van een minderjarige aanstonds worden afgegeven, oftewel zonder daaraan voorafgaand horen van partijen, indien de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.

4.4 Uit de overgelegde stukken blijkt, samengevat, onder meer het volgende. De moeder verblijft in een daklozenopvang. Daar kan zij niet verblijven samen met de baby op het moment dat het kindje geboren is. Dit betekent dat zij vanaf het moment van de geboorte van de baby dakloos zal zijn en dat zij samen met de baby op straat zal komen te staan. Daarnaast zijn er zorgen of de moeder voldoende in staat zal zijn om op een goede manier voor de pasgeboren baby te kunnen zorgen. De GI heeft in de afgelopen periode gezocht naar een passende moeder-kindvoorziening waar de moeder samen met de baby zal kunnen verblijven, maar deze plek is vooralsnog niet gevonden. Gezien de persoonlijke problematiek van de moeder, heeft zij 24 uur per dag nabijheid, begeleid en hulp nodig. Dit maakt de zoektocht naar een passende vervolgplek lastig.

4.5 Omdat de moeder op het moment van het schrijven van het verzoekschrift aan het bevallen is en er op dit moment geen passende plek voor haar beschikbaar is waar zij samen met de baby op een verantwoorde manier zal kunnen verblijven, is de kinderrechter van oordeel dat er nu sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het spoedverzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor het ongeboren kind. De kinderrechter zal daarom, zonder de moeder daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om daarover te worden gehoord, op het spoedverzoek beslissen.

4.6 De kinderrechter is bovendien, gelet op het voorgaande, van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk dat het ongeboren kind met spoed uit huis wordt geplaatst nu dit noodzakelijk wordt geacht in het belang van zijn of haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal daarom een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind verlenen. Aangezien een kind pas uit huis kan worden geplaatst zodra het daadwerkelijk geboren is, zal de kinderrechter daarbij bepalen dat de machtiging tot uithuisplaatsing ingaat vanaf de geboorte van het ongeboren kind en tot uiterlijk twee weken gerekend vanaf de datum van deze beschikking, dus tot [datum 2] 2026.

4.7 De kinderrechter zal de beslissing, gelet op het kinderbeschermende karakter daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dit betekent dat die beslissing per direct uitvoerbaar is en dat een eventueel hoger beroep die beslissing niet schorst.

4.8 Verdere beslissingen op de resterende verzoeken zal de kinderrechter pas nemen nadat de zitting heeft plaatsgevonden en de moeder in de gelegenheid is gesteld om haar mening daarover te geven. De kinderrechter zal daarbij bepalen dat de verzoeken in deze zaak gelijktijdig mondeling zullen worden behandeld tijdens de reeds geplande zitting op [datum 1] 2026 om [uur] , gelijktijdig met het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van het ongeboren kind (in de zaak met het zaaknummer C/02/448328 / JE RK 26-865).

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1 beschouwt het ongeboren kind als geboren;

5.2 verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van het ongeboren kind in een voorziening voor pleegzorg met ingang van de datum waarop het geboren is of zal worden en tot [datum 2] 2026;

5.3 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4 houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek alsmede het verzoek om een aansluitende machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen aan tot de zitting op [datum 1] 2026 om [uur], bij mr. Van Beelen als kinderrechter, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan de Stationslaan 10, 4815 GW;

5.5 behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen