Rb. Zeeland-West-Brabant 13 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:5206

spoedmachtiging gesloten plaatsing; kind is spoorloos

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448117 / JE RK 26-830
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VLISSINGEN,
locatie Vlissingen,
hierna te noemen: het college,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1 Het verloop van de procedure

1.1 De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van het college met bijlagen, ontvangen op 13 mei 2026.

2 De feiten

2.1 De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

3 Het verzoek

3.1 Het college verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Het college verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

3.2 De gedragswetenschapper, dhr. [persoon 1] , heeft ingestemd met een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van vier weken. Hij heeft dit gedaan op basis van dossieronderzoek. Dit blijkt uit de overgelegde verklaring van 12 mei 2026.

3.3 De vader en de moeder stemmen in met opneming en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Dit blijkt uit de overgelegde instemmingsverklaring van 12 mei 2026.

4 De beoordeling

4.1 De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Er zijn al langere tijd grote zorgen over [minderjarige] . Er zijn vanaf 2025 meerdere politiemeldingen met betrekking tot [minderjarige] geweest. [minderjarige] laat herhaaldelijk grensoverschrijdend en strafbaar gedrag zien, waarbij sprake is van snelle recidive en onvoldoende naleving van de afspraken binnen eerdere trajecten. [minderjarige] houdt zich niet aan de regels, is (regelmatig) onbereikbaar en verblijft soms dagen buitenshuis, zonder dat iemand weet waar hij is. Daarnaast is er sprake van agressief gedrag, middelengebruik, het dragen van wapens en zijn er ook zorgen over de mentale gezondheid van [minderjarige] , waaronder depressieve gevoelens en signalen van automutilatie. Op 10 februari 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding van [minderjarige] bevolen en sindsdien verblijft hij in de [jeugdinrichting] . Op 30 april 2026 is de voorlopige hechtenis van [minderjarige] geschorst, waarbij onder andere als bijzondere voorwaarde is opgelegd dat [minderjarige] dient mee te werken aan Elektronische Monitoring, waarbij vanaf 6 mei een locatiegebod met huisarrest geldt voor het adres van [persoon 2] . Op 9 mei 2026 heeft [minderjarige] zijn voorwaarden geschonden en is hij weggelopen bij [persoon 2] . Ook heeft hij zijn enkelband stuk geknipt en is er op dit moment geen zicht op waar [minderjarige] verblijft en bij wie hij zich bevindt.

4.2 Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.

4.3 De kinderrechter is gelet op het voorgaande ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter het college om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 13 mei 2026 en tot 27 mei 2026, onder aanhouding van het resterende deel van het (spoed)verzoek.

4.4 Het college en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven op de hierna te noemen mondelinge behandeling.

4.5 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling dient het volgende stuk door het college te worden overgelegd, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan de belanghebbenden:
- de instemmingsverklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper ten aanzien van het restant van de spoedmachtiging, tot stand gebracht op basis van onderzoek van de minderjarige in persoon.

4.6 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1 verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 13 mei 2026 tot 27 mei 2026;

5.2 houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat het college, [minderjarige] en zijn (nog toe te wijzen) advocaat en de vader en de moeder zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2 in Middelburg, ten overstaan van de kinderrechter mr. De Beer voor de duur van 30 minuten;

5.3 bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor het college, [minderjarige] , zijn (nog toe te wijzen) advocaat, de vader en de moeder;

5.4 behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026, in aanwezigheid van mr. Verplanke als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Aangehaalde artikelen