Rb. Zeeland-West-Brabant 20 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2151
Hersteluitspraak - toekenning PKV.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3088
uitspraak van 20 maart 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats], eiser,
gemachtigde: mr. L.L. Ross,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
1 Op 6 januari 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in bovengenoemde zaak.
Overwegingen
2 De gemachtigde van eiser heeft naar aanleiding van de uitspraak van 6 januari 2026 (hierna: de uitspraak) een e-mail gestuurd op 23 januari 2026. De gemachtigde merkt op dat er geen proceskostenvergoeding door de rechtbank is opgelegd, terwijl de gemachtigde het beroepschrift heeft ingediend bij de rechtbank. Volgens de gemachtigde is een proceskostenvergoeding dan ook wel degelijk op zijn plaats.
3 De rechtbank oordeelt dat op basis van het bovenstaande gebleken is dat in de uitspraak en het dictum (onder het kopje beslissing) van genoemde uitspraak een onjuistheid is vermeld. Het betreft de – ten onrechte – niet opgelegde veroordeling van verweerder in de proceskosten. Daarom zal de rechtbank de uitspraak als volgt herstellen.
Beslissing
De rechtbank:
- herstelt de tussen partijen onder bovengenoemd zaaknummer gedane uitspraak van 6 januari 2026 aldus, dat rechtsoverweging 8. als volgt komt te luiden: “Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 467,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.”
- herstelt de tussen partijen onder bovengenoemde zaaknummer gedane uitspraak verder door te bepalen dat aan het dictum de volgende zinssnede wordt toegevoegd: “- veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.”
- laat voornoemde uitspraak voor het overige ongewijzigd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 20 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: