Rb. Zeeland-West-Brabant 13 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1743

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns opgelegd omdat de in een zevental tanks aangetroffen olie een ander type olie zou zijn dan de gasolie die aanwezig zou moeten zijn. De meetmethode om het type olie vast te stellen kent volgens de inspecteur een meetonzekerheid van circa 2%. Gelet op het feit dat voor twee van de tanks de gemeten waarde circa 2% onder de grenswaarde ligt, is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in deze twee tanks aangetroffen product een ander type olie is dan de gasolie die volgens de bescheiden in de tanks aanwezig zou moeten zijn, waardoor geen sprake is van het onttrekken van de gasolie aan een accijnsschorsingsregeling. Aan belanghebbende is verder, zonder vooraankondiging, een verzuimboete opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. Nu de naheffingsaanslag gedeeltelijk ten onrechte is opgelegd en dus het verzuim niet in de mate heeft plaatsgevonden zoals gesteld door de inspecteur en ten grondslag liggend aan de boete, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het ‘andere afloop’-criterium. De boete wordt daarom vernietigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken