Rb. Zeeland-West-Brabant 22 januari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1045
Vorderingen van de vrouw, om de man te veroordelen om zijn volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het tot stand komen van de Iraanse religieuze echtscheiding, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verschijnen tijdens een (nog te maken) afspraak met geestelijke en het inschrijven van de echtscheiding bij de Iraanse ambassade te ’s-Gravenhage, onder verbeurte van een dwangsom, in verzet alsnog afgewezen. Gevangen in religieus huwelijk. Onvoldoende duidelijk waaraan (welke vorm van religieuze scheiding) de vrouw concreet de medewerking van de man verlangt. Daarnaast is nader onderzoek nodig en moet meer duidelijk zijn over de islamitische scheiding en de stand van zaken omtrent de bruidsgave om een oordeel te kunnen vormen over de door de man aangevoerde zwaarwegende belangen in het kader van het beroep van de vrouw op artikel 1:68 lid 2 BW. Art. 143 lid 1 Rv. Art. 1:68 lid 2 BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl