Rb. Zeeland-West-Brabant 10 december 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8748
Beroep tegen opgelegde maatwerkvoorschriften over het plaatsen van visfuiken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister het gestelde verbod niet aannemelijk gemaakt. Voor wat betreft de geschiktheid en noodzakelijkheid overweegt de rechtbank dat voldoende is gebleken dat meerdere vissers (waaronder eiseres) zich niet aan de in overweging 6.1 aangehaalde meldplicht hebben gehouden. Er is geen sprake van (kenbare) noemenswaardige incidenten, de vispassage is nog niet aangelegd en de plaats daarvan valt buiten het gebied waar eiseres vist. Hiermee is onvoldoende gemotiveerd waarom er in geen enkel deel van de voorhavens gevist mag worden. In het bestreden besluit heeft de minister erop gewezen dat schepen ook tijdelijk naast de remmingwerken moeten kunnen aanleggen. Dat kan gelet op de beschikbare ruimte echter alleen de delen van de voorhaven ten noorden van het remmingwerk betreffen, waar eiseres haar vistuig niet plaatst. Dat is dus geen afdoende motivering voor de evenredigheid van het bestreden besluit. Gelegenheid tot herstel gebrek via bestuurlijke lus.
De uitspraak op rechtspraak.nl