Rb. Zeeland-West-Brabant 5 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:662
Regresvordering. Eiser vordert van gedaagde betaling van € 10.433,76. Partijen waren hoofdelijk verbonden aan een geldleningsovereenkomst. Volgens eiser heeft hij meer betaald, dan gedaagde. Volgens gedaagde klopt dit niet. De Bv heeft het grootste gedeelte afgelost. Eiser is nog geld verschuldigd aan de Bv. Na afweging komt de kantonrechter tot het oordeel dat eiser inderdaad meer heeft betaald dan gedaagde. Eiser heeft haar stelling voldoende onderbouwd met onder meer bankafschriften. Gedaagde heeft zijn betwsisting echter onvoldoende onderbouwd. De kantonrechter benadrukt daarbij dat de Bv geen partij is in deze procedure. De conclusie is dus dat gedaagde € 7.575,25 (plus rente en kosten) aan eiser moet betalen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl