Rb. Zeeland-West-Brabant 23 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4708
Belanghebbende is oud-militair. Hij heeft tijdens diverse missies ernstige trauma’s opgelopen en is daarom arbeidsongeschikt. In 2022 ontvangt hij vanwege de arbeidsongeschiktheid (onder meer) periodiek een van het leven afhankelijk Militair Invaliditeitspensioen (MIP) en een Bijzondere invaliditeitsverhoging (BIV). De inspecteur heeft beide uitkeringen tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. Tussen partijen staat vast, en de rechtbank acht dat juist, dat de BIV een immateriële schadevergoeding (smartengelduitkering) is die niet tot het loon behoort. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat op grond van het Brandweerman-arrest (ECLI:NL:HR: 2022:444) heffing over de BIV niet mogelijk is. De rechtbank is met de inspecteur van oordeel dat de BIV een belaste publiekrechtelijke periodieke uitkering vormt en dat het Brandweer arrest (ECLI:NL:HR: 2022:444) er niet ertoe leidt dat heffing achterwege moet blijven. Dat over de uitkering met terugwerkende kracht loonbelasting is ingehouden leidt niet tot een ander oordeel. Van schending van het Europese recht of van de beginselen van behoorlijk bestuur is geen sprake. Met betrekking tot het MIP laat de rechtbank in het midden of sprake is van een niet tot het loon behorende immateriële schadevergoeding of van een vergoeding die tot het loon behoort. In beide gevallen kan het MIP in de heffing worden betrokken.
De uitspraak op rechtspraak.nl