Rb. Zeeland-West-Brabant 18 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3944
In conventie staat centraal de vraag of de huurder de gehuurde bedrijfsruimte, een kleine supermarkt, exploiteert zoals overeengekomen en of hij jaarlijks huurverhoging moet betalen. Volgens de verhuurder schiet de huurder daarin tekort, waardoor huurder bovendien boetes moet betalen. De huurder is van mening dat de vorderingen niet spoedeisend zijn. Ook betwist hij dat hij tekort schiet en vindt dit in ieder geval onvoldoende voor de gevorderde ontruiming. De huurder vordert in reconventie herstel van een gebrek door de verhuurder en een verbod voor de verhuurder om contact te zoeken met de onderhuurders. De kantonrechter oordeelt dat er spoedeisend belang is bij de hoofdvordering en oordeelt daarom ook over de nauw verwante financiële nevenvorderingen. Deze nevenvorderingen worden deels toegewezen. De ontruiming wordt afgewezen, maar de subsidiaire vordering tot nakoming van de exploitatieverplichting wordt toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl