Rb. Zeeland-West-Brabant 20 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3903
Werkgever heeft betaling van het loon gestaakt, omdat werknemer weigert te werken. Werknemer vordert betaling van het loon. Die vordering wordt afgewezen. Er is onvoldoende aannemelijk geworden dat werknemer was vrijgesteld van werk, zoals zij stelt. Dat blijkt niet uit het convenant tussen werknemer en haar voormalige echtgenoot/de voormalige bestuurder van werkgever. Dat wijst juist op het tegendeel. Evenmin zijn er andere omstandigheden gesteld of gebleken die erop wijzen dat werknemer niet meer hoefde te werken. De omstandigheid dat wergever werknemer, na jaren en een ontbindigsprocedure, in januari 2024 heeft opgeroepen voor een werkoverleg, maakt op zichzelf nog niet dat er dus een vrijstelling voor het werk was. Gelet op de moeizame relatie tussen werknemer en haar voormalige echtgenoot/de voormalige bestuurder van werkgever was het begrijpelijk dat werkgever er eerder voor koos om werknemer niet op te roepen. Evenmin wordt werknemer gevolgd in haar stelling, inhoudende dat zij na 11 jaar niet werken erop mocht vertrouwen dat werkgever niet langer wilde dat zij nog kwam werken. Voor een beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop onvoldoende. Daarvoor zijn bijkomstige omstandigheden vereist. Die zijn niet gesteld of gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl