Rb. Zeeland-West-Brabant 26 februari 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2496

Verzoek om toestemming wijziging verblijfplaats. De kinderrechter stelt vast dat de minderjarige op het moment van indiening van het wijzigingsverzoek van de GI gedurende ten minste één jaar door de stiefvader is opgevoed en verzorgd, waardoor de GI de toestemming van de kinderrechter behoeft om een wijziging in het verblijf van de minderjarige aan te brengen, zoals genoemd in artikel 1:165i BW. De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat de wijziging van het verblijf van de minderjarige dient te worden toegewezen. Minderjarige voelt zich niet meer veilig bij de stiefvader. Stiefvader is niet langer bereid om de minderjarige nog langer in zijn gezin op te nemen en staat niet open voor een contactherstel. Minderjarige bloeit op sinds hij bij zijn grootouders verblijft. Grootouders zijn echter recent naar Zweden verhuisd en minderjarige kan nog niet meeverhuizen, gelet op de zitting omtrent de gezagsbeëindiging en voogdij in maart. Dit maakt dat er een verblijfplek nodig is waar de minderjarige in de tussentijd kan wonen. Een kennis van de grootouders is bereid minderjarige is de tussentijd op te vangen. De kinderrechter merkt op dat de door hem verleende toestemming slechts ziet op een plaatsing in het pleeggezin van deze kennis. De kinderrechter geeft uitdrukkelijk geen toestemming om minderjarige naar Zweden over te plaatsen. Voor deze situatie dient immers een extra beoordeling plaats te vinden conform de artikelen 1:306 BW en 82 van de Verordening Brussel II-ter. Aan deze voorwaarden is nog niet worden voldaan. Ook moet de zitting omtrent de gezagsbeëindiging en voogdij nog plaatsvinden en is het niet wenselijk dat de minderjarige voordien al in Zweden woont.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen