Rb. Zeeland-West-Brabant 24 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:9661
Huurders hebben een huurovereenkomst voor bepaalde tijd met verhuurder gesloten. Verhuurder is deze procedure gestart, omdat er sprake is van een huurachterstand. Bovendien is de huurovereenkomst geëindigd en vordert verhuurder ontruiming van het gehuurde. De bewindvoerder van een van de huurders erkent de huurachterstand en heeft tegen de vordering tot betaling geen verweer gevoerd. Wel zou rechthebbende graag in de woning blijven wonen en de bewindvoerder steunt hem daarin. De andere huurder voert verweer tegen de vorderingen van verhuurder omdat zij de woning voor het einde van de huurovereenkomst heeft verlaten. De kantonrechter is echter van oordeel dat zij hoofdelijk aansprakelijk is. Een groot deel van de vorderingen is dan ook tegenover haar toewijsbaar. Dat geldt alleen niet voor de ontruimingsvordering en de vordering tot betaling van gebruiksvergoeding, omdat zij het gehuurde al heeft verlaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl