Rb. Zeeland-West-Brabant 31 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:9058

Artt. 142, 217 Rv; artt. 1:88 lid 5, 1:89 lid 1, 3:4 lid 2, 6:94 lid 1, 6:96 lid 2, 6:233, 6:277 lid 1, 7:215 lid 1, 7:216 lid 1 BW; artt. 5 lid 1, 11, 12 lid 1 Wgb. Twee procedures. Gedaagde in de hoofdzaak heeft samen met een derde een 290-bedrijfsruimte gehuurd. Later komen beiden met de verhuurder een indeplaatsstelling overeen waardoor de besloten vennootschap van gedaagde huurder wordt. Gedaagde stelt zich in privé garant (borg) voor de nakoming van de verplichtingen van de vennootschap. Wegens wanbetaling vordert verhuurder van de vennootschap en gedaagde ontbinding en ontruiming, verdere huurtermijnen, boetes etc. Gedaagde verschijnt aanvankelijk niet in de procedure. Op een incidentele vordering van zijn echtgenoot wordt toegestaan dat zij tussenkomt. Zij doet een beroep op vernietiging van de borgstelling in de overeenkomst tot indeplaatsstelling. Daarnaast vordert zij terugbetaling van een door haar aan de verhuurder betaald bedrag. Gedurende de procedure(s) wordt op basis van een in kort geding gewezen vonnis de bedrijfsruimte ontruimd. Later wordt de vennootschap in staat van faillissement verklaard. Gedaagde verschijnt dan alsnog in de procedure. Verhuurder vermeerderd andermaal haar vorderingen, nu met schade wegens gederfde huurkomsten, ontruimingskosten, schade wegens een verwijderde keuken, etc. De kantonrechter gaat niet mee in het verweer van gedaagde dat hij alleen voor de indeplaatstelling garant stond. De vorderingen tegen gedaagde worden toegewezen. De echtgenote wordt niet gevolgd in haar standpunt dat haar toestemming voor de borgstelling noodzakelijk was. Haar vorderingen worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken