Rb. Zeeland-West-Brabant 26 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8063
Artt. 7:611; 7:625; 7:672; 7:673 lid 2; 7:677 lid 1; 7:681 lid 1a; 7:686a lid 1 BW. Werknemer van schoonmaakbedrijf meldt zich ziek. Werkgever vertrouwt de ziekmelding niet maar schakelt pas in een laat stadium de arbodienst in. Intussen schrijft werkgever aan werknemer dat ontslag zal worden gevraagd en verwijt hij werknemer dat zij het (niet aan haar bekend gemaakte) verzuimprotocol niet volgde. Ook verlangde werkgever een dokterverklaring en wekelijks telefonisch contact om te kunnen inschatten of werknemer nog ander passend werk kon verrichten. Werkgever verwijt werknemer uiteindelijk dat zij zonder toestemming op vakantie is gegaan en een uitnodiging voor een gesprek heeft genegeerd. Vervolgens volgt ontslag op staande voet. Werknemer berust in het ontslag en verzoekt om een billijke vergoeding, de gefixeerde schadevergoeding en de transitievergoeding. De kantonrechter oordeelt het verleende ontslag niet rechtsgeldig en wijst de gevraagde vergoedingen grotendeels toe. Bij de berekening van de transitievergoeding wordt op grond van de toepasselijke cao rekening gehouden met het dienstverband bij een vorige werkgever. De gefixeerde schadevergoeding is geen loon. De over die vergoeding gevorderde wettelijke verhoging wordt daarom afgewezen. Het tegenverzoek van werkgever, gebaseerd op de stelling dat werknemer zich niet als goed werknemer heeft gedragen, wordt eveneens afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl