Rb. Zeeland-West-Brabant 30 oktober 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:7327
Aan vier zussen zijn (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd in verband met de toerekening van een trustvermogen (APV) en zijn tevens vergrijpboeten opgelegd. Aan belanghebbende, de belastingadviseur van de zussen, is een vergrijpboete opgelegd wegens medeplegen of doen plegen van onjuiste aangiften c.q. het niet doen van aangiften door de zussen. De rechtbank heeft in de zaken van de zussen de toerekening van het trustvermogen in stand gelaten en de vergrijpboeten vernietigd. Daarmee is vast komen te staan dat de zussen niet als ‘plegers’ kunnen worden aangemerkt. Van medeplegen door belanghebbende kan dan ook geen sprake zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is wel sprake van ‘doen plegen’ van onjuiste aangiften omdat belanghebbende voorwaardelijk opzettelijk heeft gehandeld bij het ten onrechte adviseren c.q. opdragen dat in de aangiften van de zussen de trustvraag niet moest worden aangekruist en geen inkomen uit de trust moest worden vermeld. De rechtbank acht dat niet pleitbaar. Maar belanghebbende kan ‘doen plegen’ van het niet doen van aangiften door de zussen niet worden verweten en het lidmaatschap van de NOB acht de rechtbank niet strafverzwarend. De boete wordt verminderd.
De uitspraak op rechtspraak.nl