Rb. Zeeland-West-Brabant 5 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6680

In de tussenbeschikking van 22 maart 2024 heeft werkgever de opdracht gekregen om te bewijzen dat de chronische ziekte van werknemer geen rol heeft gespeeld bij de beslissing van werkgever om de arbeidsovereenkomst met werknemer niet voort te zetten. Werkgever heeft aan voormelde bewijsopdracht uitvoering gegeven door het indienen van een schriftelijke verklaring van de betrokken HR-medewerker. Zij verklaart onder meer dat zij werknemer in de periode van ziekte op geen enkele wijze heeft voorgehouden dat zij een verlenging van haar huidige arbeidsovereenkomst kon verwachten. Daar staat echter tegenover dat werkgever na de standaard aanzegging in de arbeidsovereenkomst ook op geen enkel moment signalen heeft afgegeven dat zij de arbeidsovereenkomst van werknemer niet zou verlengen. Integendeel, het leek erop dat niets aan een verlenging in de weg stond. Immers, zoals is overwogen in de tussenbeschikking van 22 maart 2024 staat tussen partijen vast dat werknemer goed functioneerde en dat werkgever en collega’s ook geen probleem hadden met de persoon van werknemer. Verder verklaart de HR-medewerker dat zij en een collega in overleg met de directie hebben besloten niet tot verlenging van de arbeidsovereenkomst van werknemer over te gaan. De HR-medewerker verklaart daarbij dat de ziekte van werknemer niet de reden is geweest voor deze beslissing. Volgens de HR-medewerker had werkgever andere redenen voor de beslissing, die niet samenhingen met de ziekte. De HR-medewerker laat echter na om te concretiseren wat deze andere redenen dan waren. Werkgever is ook niet verplicht om die reden(en) te geven, maar in de waardering van het bewijs speelt het wel een rol, temeer nu vaststaat dat werknemer goed functioneerde en er ook geen problemen waren met de persoon van werknemer. Gezien het voorgaande en nu werkgever geen ander bewijs heeft aangeboden – bijvoorbeeld door middel van het horen van getuigen – is de kantonrechter van oordeel dat niet met een voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de chronische ziekte van werknemer geen rol heeft gespeeld bij de beslissing van werkgever om de arbeidsovereenkomst met werknemer niet voort te zetten. Dat brengt mee dat de kantonrechter er in deze procedure van uitgaat dat werkgever bij de beslissing om de arbeidsverhouding met werknemer niet voort te zetten een verboden onderscheid heeft gemaakt in de zin van artikel 4 Wgbh/cz. In beginsel brengt dat naar het oordeel van de kantonrechter eveneens mee dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van werkgever in de zin van artikel 7:673 lid 9 BW. Werkgever heeft niets, althans onvoldoende, aangevoerd om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarom zal de kantonrechter werknemer overeenkomstig voormeld artikel(lid) een billijke vergoeding toekennen. Gezien alle omstandigheden, waaronder de ernst van het verwijt, de geschatte inkomensschade en het psychisch leed aan de zijde van werknemer kent de kantonrechter een billijke vergoeding toe van € 10.000,00.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen