Rb. Zeeland-West-Brabant 29 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:6057
Beroep omwonenden tegen verleende exploitatievergunning van een tegenover de woning liggende horecagelegenheid. Aangezien het bepaalde in artikel 2:25, tweede lid, van de APV geen aanleiding vormt om de exploitatievergunning te weigeren, heeft de rechtbank beoordeeld of de burgemeester bij het nemen van het besluit van 19 april 2024 in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 2:25, derde lid, en artikel 2:29, eerste lid, van de APV. Voor wat betreft de aangevoerde geluidoverlast neemt de rechtbank in aanmerking dat het hier gaat om een horecagelegenheid bij een camping in het buitengebied. Dat impliceert een zekere mate van geluidsproductie, die overigens al in het omgevingsplan is verdisconteerd. Daarnaast volgt uit het dossier dat er sprake is geweest van meerder klachten. Bij de verlening van de exploitatievergunning is rekening gehouden met het gegeven dat de horecagelegenheid geen feestcafé is en dat in de horecagelegenheid achtergrondmuziek wordt gedraaid. Verder is rekening gehouden met stemgeluid op het terras en zijn in de exploitatievergunning ook andere maatregelen opgenomen. De suggestie om het terras naar de achterkant van de horecagelegenheid te verplaatsen, impliceert nog steeds dat bezoekers langs de voorkant vertrekken. Op basis van artikel 5.73, eerste lid, sub b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving geldt dat de waarden die het omgevingsplan bevat voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten niet van toepassing is op onversterkt menselijk stemgeluid. De door eisers gestelde structurele en/of frequente geluidsoverlast is onvoldoende geobjectiveerd. De burgemeester heeft de discretionaire bevoegdheid in redelijkheid toegepast voor wat betreft de gestelde voorschriften. Voor zover deze worden overschreden, is dat een handhavingskwestie. De installatie van de horecagelegenheid voldoet aan de geldende regels en verder is volgens de burgemeester niet gebleken van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van de omliggende woon- en leefsituatie. Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat, ook als aan de geldende geurvoorschriften is voldaan, er nog steeds sprake kan zijn van een ontoelaatbare negatieve beïnvloeding van het woon- en leefklimaat. Dat is niet voldoende geobjectiveerd. Ten aanzien van de gestelde parkeeroverlast neemt de rechtbank in aanmerking dat het voormalige bestemmingsplan de voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden bestemt voor parkeervoorzieningen. De horecagelegenheid en de daarbij gelegen camping liggen in het buitengebied tegen de duinen aan. Er mag langs de weg worden geparkeerd. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat er onvoldoende parkeergelegenheid is en de huidige horecaexploitant heeft zich ter zitting bereid verklaard om verwijsborden naar de parkeerplaats te plaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook onvoldoende gebleken dat de gestelde parkeeroverlast zodanig is dat de exploitatievergunning hierom geweigerd moet worden.
De uitspraak op rechtspraak.nl