Rb. Zeeland-West-Brabant 5 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:60

Navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en aanslag IB/PVV 2018. Toepassing artikelen 2.6 en 3.95b, lid 5, van de Wet IB Belanghebbende komt in aanmerking voor de 30%-regeling (ingekomen werknemer) en heeft in het kader van zijn dienstbetrekking lucratief belang aandelen verworven in 2015. In 2016 en 2018 zijn bedragen aan belanghebbende uitgekeerd en in 2018 heeft belanghebbende zijn (middellijk gehouden) lucratief belang aandelen vervreemdt. Voor de jaren 2016 en 2018 heeft belanghebbende gebruik gemaakt van het keuzerecht zoals geregeld in artikel 2.6 van de Wet IB (partieel buitenlands belastingplichtig). Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB 2018 expliciet verzocht om toepassing van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB. De rechtbank beslist over meerdere geschilpunten. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur over het jaar 2016 wel over een nieuw feit beschikt dat navordering rechtvaardigt. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn standpunt omtrent de uitleg van artikel 3.95b, vijfde lid, van de Wet IB. Belanghebbende heeft echter in de aangifte IB 2016 niet verzocht om toepassing van voormeld artikellid en daarom blijft de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 in stand (beroep ongegrond). De aanslag IB/PVV 2018 wordt wel verminderd (beroep gegrond).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken