Rb. Zeeland-West-Brabant 24 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5087
Kort geding. Verstek. Verwijzing. Voormalig werkgever vordert dat het een gewezen werknemer (gedaagde) wordt verboden om tegen haar en haar zusterondernemingen te procederen, en verder een machtiging om alle handelingen van gedaagde die in strijd met dat verbod zijn verricht, ongedaan te maken dan wel een dwangvertegenwoordiger aan te wijzen die die doet. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter heeft gedaagde in minder dan twee jaren al zes kansloze procedures gevoerd. Alle uitspraken zijn onherroepelijk geworden. Gedaagde weigert zich erbij neer te leggen dat er geen arbeidsovereenkomst meer bestaat. De vordering is aangebracht bij de kantonrechter als voorzieningenrechter maar de zaak is niet betrekkelijk op een arbeidsovereenkomst. Volgt een interne verwijzing naar de rechtbank en onmiddellijke afdoening bij verstek. De gevorderde vermeerdering van eis wordt niet toegestaan, ondanks dat gedaagde daarmee bekend is. De akte is namelijk niet aan gedaagde betekend. Het procedeerverbod wordt tijdelijk toegestaan, mits eiser de zaak binnen 4 weken aanhangig maakt in een bodemprocedure. Een machtiging wordt niet verleend, noch wordt een dwangvertegenwoordiger aangewezen. De wet (Faillissementswet; Boek 1 BW) kent andere middelen om zinloos en onrechtmatig aan derden hinder en schade toebrengend procedeergedrag tegen te gaan. Vordering om aan veroordeling lijfsdwang te verbinden wordt afgewezen aangezien niet de verwachting bestaat dat lijfsdwang effect zal hebben. Dwangsommen worden evenmin toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 71 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 139 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 255 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 585 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 3:300 BW3
- Artikel 3 Wgbz