Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:358
Drie ten laste gelegde feiten. Dagvaarding partieel nietig voor feit 3: overtreding artikel 96 Wet BIG. Verdachte wordt veroordeeld voor dood door schuld en het opzettelijk in hulpeloze toestand laten van het veertienjarige, ernstig gehandicapte slachtoffer. Verdachte heeft niet gehandeld zoals van een bekwaam zorgverlener mag worden verwacht. Hij heeft het slachtoffer in een bad gezet zonder de temperatuur van het badwater (voldoende) te controleren. Het badwater was te heet, waardoor de huid van het slachtoffer is verbrand. Verdachte heeft hem vervolgens niet op de juiste manier gekoeld en ook geen medische hulp ingeschakeld. Het slachtoffer is aan zijn brandwonden overleden. Aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Verdachte is nog steeds werkzaam binnen de individuele gezondheidszorg. Hij heeft geen enkele training gevolgd om zijn vaardigheden tijdens een noodsituatie te verbeteren en ook andere adviezen en instructies van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) meermalen genegeerd. Daarom legt de rechtbank aan verdachte ook een beroepsverbod van vijf jaar op. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn deels toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl