Rb. Zeeland-West-Brabant 1 mei 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:3248

Huur woonruimte. Verhuurder stelt dat de zoon van de huurder, die altijd in het gehuurde heeft gewoond, zonder recht of titel in het gehuurde verblijft (moeder is contractspatij en is inmiddels overleden). Hij wordt in de gelgenheid gesteld dat te bewijzen. Zoon wordt gelijktijdig in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij als huurder van het gehuurde moet worden gekwalificeerd. Daarnaast komt nog het beroep van zoon op artikel 7:268 lid 2 BW, het beroep van zoon op artikel 4:5 BW en het gezag van gewijsde van een eerder vonnis over het gehuurde ter sprake.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken