Rb. Zeeland-West-Brabant 7 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1610
Deze zaak gaat over een (beneden)woning die gedaagde huurt of huurde van eiseres. Eiseres wil dat gedaagde deze woning verlaat. Eiseres zegt dat er sprake was van een tijdelijke huurovereenkomst onder voorwaarde van begeleiding, die (rechts)geldig is geëindigd. Gedaagde blijft daarom volgens eiseres nu zonder recht of titel in de woning. Als de huurovereenkomst niet zou zijn geëindigd, zegt eiseres dat Gedaagde de woning moet verlaten omdat hij (kort gezegd) zulke (ernstige) overlast veroorzaakt, dat dit een ontbinding van deze overeenkomst in een bodemprocedure zou rechtvaardigen. Gedaagde voert als eerste het verweer dat de kantonrechter in dit geval niet bevoegd is en dat er onvoldoende spoedeisend belang is bij deze procedure. Daarnaast voert gedaagde inhoudelijk verweer en voert zij aan dat een proceskostenveroordeling tegen gedaagde niet toewijsbaar is. De kantonrechter overweegt als eerste dat hij in dit geval bevoegd is en dat er voldoende spoedeisend belang is bij deze procedure. Verder is het einde van de huurovereenkomst niet tijdig aangezegd door eiseres. Dit had namelijk niet bij gedaagde, maar bij de bewindvoerder q.q. moeten worden gedaan en dit is één dag te laat gedaan. Er kan dus niet worden vastgesteld dat de huurovereenkomst op 11 november 2023 (rechts)geldig is geëindigd. De kantonrechter wijst wel de ontruiming op de tweede gevorderde grond toe. In deze procedure is namelijk voldoende aannemelijk geworden dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de overeenkomst tussen partijen wordt ontbonden. Dit betekent dat gedaagde de woning moet verlaten, waarbij de kantonrechter een termijn van veertien dagen bepaalt. Gedaagde moet ook de proceskosten betalen. Een onredelijk bezwarend beding op dit punt staat namelijk los van wat de kantonrechter volgens de wet (ambtshalve) moet toekennen.
De uitspraak op rechtspraak.nl