Rb. Zeeland-West-Brabant 24 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:9659
Pacht. Verpachter vordert ontbinding pachtovereenkomst. Vordering is gegrond op stelling dat pachter het gepachte niet persoonlijk gebruikt. Pachtkamer oordeelt dat pachter op grond van art. 7:347 BW verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van het gepachte als een goed pachter te gedragen. Onder deze verplichting wordt ook begrepen het persoonlijk gebruik van het gepachte én het verbod om het aan een ander in gebruik te geven. Pachter dient de dagelijkse leiding te hebben over het ter plaatse van het gepachte geëxploiteerde bedrijf. Voorts dient pachter gebruik te maken van het opbrengend vermogen van het gepachte. Op verpachter die ontbinding vordert rust de stelplicht en bewijslast van stelling dat pachter tekortschiet. Dat neemt niet weg dat indien er twijfel bestaat omtrent de vraag of de pachter het gepachte nog zelf exploiteert, de pachter gehouden kan zijn om ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de verpachter feitelijke gegevens te verschaffen, teneinde de verpachter aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Het is immers bij uitstek de pachter die inzicht heeft in en toegang tot gegevens met betrekking tot de bedrijfsvoering, waaronder boekhoudrapporten en gecombineerde opgaven. Uit de overgelegde stukken, in combinatie met de toelichting daarop ter zitting door de pachter, kan onvoldoende worden vastgesteld dat pachter het gepachte voor eigen rekening en risico exploiteert. Stukken en stellingen van partijen geven voldoende aanleiding tot twijfel in voornoemde zin. Pachter opgedragen nadere stukken in het geding te brengen.
De uitspraak op rechtspraak.nl