Rb. Zeeland-West-Brabant 29 december 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:9244
In artikel 1019j Rv worden onder a tot en met j de zaken genoemd die tot de absolute bevoegdheid van de pachtkamer behoren. Ingevolge artikel 1019l lid 1 worden, indien een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een zaak als bedoeld in artikel 1019j onder a tot en met j betreft, al de vorderingen door de pachtkamer behandeld en beslist voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Op grond van lid 2 van artikel 1019l is lid 1 van overeenkomstige toepassing in het geval een vordering in conventie en in reconventie tenminste één vordering betreft als bedoel in artikel 1019j. De vorderingen in conventie tot ontbinding en ontruiming zijn vorderingen als bedoeld in artikel 1019j onder a en de reconventionele vordering tot terugbetaling van te veel betaalde pacht is een vordering als bedoeld in artikel 1019j onder i. De pachtkamer is van oordeel dat er tussen de vordering tot betaling van schadevergoeding ontstaan als gevolg van de gestelde onrechtmatige inbreuk op het eigendomsrecht van verpachter en de vorderingen als bedoeld in artikel 1019j samenhang bestaat zodanig dat die zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Verpachter legt de door hem gestelde inbreuk op zijn eigendomsrecht door pachter (mede) ten grondslag aan zijn vordering tot ontbinding. De vraag of van de gestelde inbreuk sprake is moet derhalve zowel voor wat betreft de gevorderde ontbinding als voor wat betreft de gevorderde schadevergoeding worden beoordeeld. De pachtkamer zal de vordering gegrond op artikel 843a Rv afwijzen. Door verpachter is terecht aangevoerd dat de vordering te algemeen is geformuleerd. Voorts ontbreekt het rechtmatig belang bij de vordering.
De uitspraak op rechtspraak.nl