Rb. Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:6071
Wet zorg en dwang (Wzd). Naar aanleiding van de behandeling van het verzoek tot een rechterlijke machtiging, heeft de rechtbank zich afgevraagd of in de gegeven omstandigheden een zorgmachtiging als bedoeld in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg niet passender is. Nadat de benoemde deskundige zich om hem moverende redenen had teruggetrokken heeft de rechtbank ambtshalve op een vervolgzitting besloten dat op grond van artikel 38 lid 10 Wzd een zorgmachtiging passender zou zijn. Ter overbrugging is de rechterlijke machtiging voor de duur van een maand verlengd, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. De rechtbank heeft in de eindbeslissing geoordeeld op basis van de nieuwe medische verklaring en de bevindingen van de geneesheer-directeur dat de rechterlijke machtiging toch het meest geschikt is voor cliënt.
De uitspraak op rechtspraak.nl