Rb. Zeeland-West-Brabant 25 mei 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:3612
IB/PVV 2019, arbeidskorting. Belanghebbende was een gedeelte van het jaar 2019 niet belasting- en premieplichtig voor de IB en PVV (de buitenlandse periode). Het andere gedeelte van het jaar 2019 was belanghebbende binnenlands belastingplichtig voor de IB en premieplichtig voor de PVV (de binnenlandse periode). Partijen houdt verdeeld of het begrip arbeidsinkomen – waarvan de hoogte van de arbeidskorting afhankelijk is gesteld – zo moet worden uitgelegd dat daaronder mede moet worden begrepen het door belanghebbende in de buitenlandse periode genoten loon. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wettekst niet worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om in de berekening van de arbeidskorting arbeidsinkomsten te betrekken uit een periode waarin in het geheel geen sprake is van (binnenlandse- c.q. buitenlandse)belastingplicht voor de Wet IB 2001. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de berekening van het premiedeel van de arbeidskorting uit te gaan van een andere uitleg van het begrip arbeidsinkomen dan voor de berekening van het IB-deel van de arbeidskorting.
De uitspraak op rechtspraak.nl