Rb. Zeeland-West-Brabant 17 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1102

De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt op grond waarvan hij kon navorderen. De verkrijging van de vordering wordt aangemerkt als een fictieve vervreemding, zodat het voordeel daaruit in de Nederlandse belastingheffing als belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang wordt betrokken, ook als belanghebbende op het moment van verkrijging niet in Nederland woonde. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ingevolge de wetgeving van Oostenrijk op grond van woonplaats of verblijf aldaar aan de belastingheffing onderworpen was, zodat de inspecteur in dit geval terecht over de verkrijging inkomstenbelasting heeft geheven. Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt dat de vordering in dit geval voor een lager bedrag in aanmerking moet worden genomen dan de nominale waarde. Ook heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank terecht € 45.000 in aanmerking genomen als resultaat uit overige werkzaamheden. Gelet op de omschrijving van die boekingen is aannemelijk geworden dat vennootschap X heeft betaald voor (advies)werkzaamheden verricht door belanghebbende. De rechtbank ziet in de door belanghebbende aangevoerde alternatieve grondslag voor de betalingen, geen aanleiding voor een ander oordeel. Tot slot verklaart de rechtbank ook het beroep tegen de opgelegde vergrijpboete ongegrond. Uitsluitend de duur van de procedure vormt reden de opgelegde vergrijpboete te matigen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken