Rb. Zeeland-West-Brabant 20 oktober 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:6124
Navorderingsaanslag erfbelasting, artikel 16 AWR. De inspecteur heeft aan belanghebbende een navorderingsaanslag erfbelasting opgelegd omdat, in zijn visie, de fiscale woonplaats van erflater in de periode van 10 jaar voor zijn overlijden in Nederland lag. Tussen partijen is, onder meer, in geschil of de inspecteur beschikt over een nieuw feit op grond waarvan hij erfbelasting bij belanghebbende mocht navorderen. De rechtbank leidt uit verklaringen van de inspecteur af dat de inspecteur ook vóór het verstrijken van de primitieve aanslagtermijn er mee bekend was dat erflater mogelijk in de periode tien jaar voorafgaand aan zijn overlijden in Nederland woonde. Verder brengt een behoorlijke taakuitoefening van de inspecteur in dit geval, namelijk de situatie dat de inspecteur kennelijk met de inspecteur inkomstenbelasting werkafspraken over het onderzoek naar de woonplaats van erflater maakt, mee dat de inspecteur vóór het verstrijken van de primitieve aanslagtermijn ten minste had moeten informeren bij de inspecteur inkomstenbelasting naar het lopende onderzoek, zodat hij in ieder geval ook toen had moeten beoordelen of naar zijn mening de fiscale woonplaats van erflater in Nederland lag, hetgeen hij kennelijk heeft nagelaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur ten tijde van het verstrijken van de primitieve aanslagtermijn over zodanige gegevens beschikte, dan wel had behoren te beschikken, dat hij op basis daarvan in redelijkheid tot de slotsom had moeten komen dat – in zijn visie – erfbelasting is verschuldigd. In verband daarmee had hij bij een behoorlijke taakuitoefening het opleggen van een primitieve aanslag erfbelasting niet mogen nalaten. De inspecteur beschikt daarom niet over een nieuw feit in de zin van artikel 16 AWR. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslag.
De uitspraak op rechtspraak.nl