Rb. Zeeland-West-Brabant 4 augustus 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:4431

Artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns. Belanghebbende heeft minerale oliën in Nederland voorhanden gehad, zij heeft de minerale oliën zonder geleidedocumenten vervoerd naar België en zij heeft naar eigen zeggen aldaar de minerale oliën geleverd voor gebruik voor de aandrijving van schepen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de vrijstelling van artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns van toepassing is in een geval als het onderhavige. Naar het oordeel van de rechtbank kan de in artikel 66, eerste, lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns voorziene vrijstelling niet worden toegepast op de uitslag tot verbruik van minerale oliën die belanghebbende in België voor commerciële doeleinden voorhanden had om ze daar te leveren, omdat de daarmee verband houdende accijns niet in Nederland, maar in België wordt geheven. Daarom doet – anders dan belanghebbende betoogt – niet ter zake dat in artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns niet uitdrukkelijk is bepaald dat de daarin voorziene vrijstelling uitsluitend van toepassing is bij zogenaamde bunkerleveringen in Nederland. Aangezien de vrijstelling van artikel 66, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de accijns niet van toepassing is, heeft de inspecteur de toepassing van de teruggaafregeling van artikel 70, eerste lid, van de Wet op de accijns terecht geweigerd. Belanghebbende heeft ook geen recht op teruggaafregeling van artikel 71, eerste lid, onderdeel e van de Wet op de accijns. Al hetgeen belanghebbende ter zake van het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb heeft opgemerkt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken