Rb. Zeeland-West-Brabant 21 april 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2116
Aanslag IB/PVV 2016. Belanghebbende heeft een lump sum uitkering ontvangen op basis van een ‘Death Benefit Plan’ van een Ierse onderneming waaraan haar overleden echtgenoot, in verband met zijn dienstbetrekking bij die onderneming, heeft deelgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank vormt het ‘Death Benefit Plan’ een – vanuit Iers perspectief – gebruikelijke pensioenregeling. Het ‘Death Benefit Plan’ moet op grond van de relevante bepalingen in de Ierse Taxes Consolidation Act 1997, welke naar aard en strekking overeenkomt met de Nederlandse inkomstenbelasting, ook als een pensioenregeling worden beschouwd. De omstandigheid dat het ‘Death Benefit Plan’ – vanuit Nederlands perspectief – als een spaarcontract dient te worden aangemerkt en de uit die regeling voortvloeiende uitkering als een eenmalige kapitaaluitkering of restbegunstiging moet worden gezien, doet aan voorgaand oordeel niet af. Het gaat er voor de beoordeling of een regeling van een buitenlandse mogendheid kwalificeert als pensioenregeling voor de Wet IB 2001 immers niet om hoe de fiscale behandeling van een dergelijke regeling in Nederland plaats zou vinden. Dat betekent dat de Ierse uitkering, nu daarop geen (Ierse) belasting is ingehouden, op grond van artikel 3.82, onderdeel b, van de Wet IB 2001 tot het loon wordt gerekend en dat de Ierse uitkering behoort tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de Ierse uitkering voor toepassing van het Belastingverdrag tussen Nederland en Ierland voorts niet als restbegunstiging, maar als ‘andere soortgelijke beloning’ in de zin van artikel 17 van het Belastingverdrag tussen Nederland en Ierland. Dat betekent dat de Ierse uitkering, nu deze is betaald aan een inwoner van Nederland, op grond van artikel 17 van het Belastingverdrag tussen Nederland en Ierland, mag worden belast in Nederland. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl